Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Posts uit 2021 tonen

Scènes uit het uitdoofhuis

Zij was er al Aan de overkant Op het balkon Aan een tafeltje In de avondzon Haar kamerjas Over haar nachtjapon Zat ze Voor zich uit te staren Hield in haar ene hand Een krant met nieuws Uit een steeds Vreemder land Haar andere hand Tastend Alsof het nog kon Zijn hand,  Aan de andere kant Open De handpalm naar boven De vingers gebarend Kom, liefste, kom.

Dura lux, sed lux

Hetzelfde licht Dat jou en mij Aanraakt En van de weeromstuit Rechtsomkeer maakt Doet jou in donkerbruin En mij in heel lichtbruin Verschijnen De kleuren Van onze huid En ons haar Zouden zo verdwijnen Wanneer het licht Waarin wij zwemmen Zou opdrogen We zouden Zwart / wit Naar adem happen En op de tast Alsnog weer verder gaan De ogen van onze kinderen Zouden van hun werk ontdaan Ophouden te bestaan Verbeelding zou vervagen En stilaan in verklanking Of iets anders zinneprikkelend Overgaan. We zouden merken dat er Andere onderscheiden bestaan Die ons Al die tijd Waren ontgaan Mensen met een andere klankgeur Huidsmaak Of ademtoon Of verdwijningsvorm Het zou zo bestaan En we zouden heel even maar De wanhoop nabij zijn Omdat we niet langer weten Welk verschil ertoe doet En welk niet We zouden op goed geluk En soms ongelukkig Maar ten allen tijde blind Geloven Op de tast Ontdekken welke weg we moeten gaan Wie of wat te vertrouwen En te weten Wat het betekent Om te bestaan.

Zwaartekracht

Lang voor we boven water kwamen Was alles donker. En omdat licht en lucht ons vreemd waren Was alles voelen. Van vinnen, vingers of tenen Was nog geen sprake. We werden, zelf Louter onbegrip, volkomen Door de wereld begrepen. We waren heel en al Sprakeloos. Met het opklaren van de hemel En het klaren van het water Begon het happen Naar adem. We leerden wat verblind zijn was En keerden na jaren het diepe Duister de rug toe. Zeiden de vissen vaarwel Veroverden het land. Leerden van vechten En vluchten en dansen En vrijen en eenzaamheid. We legden wegen aan En brachten in kaart Hoe verdwaald We in wezen Wel niet waren. We achten ons ver Verwijderd van de diepzee Daar op de bodem Van een onbestemd heelal. We gaven wat naamloos was Een naam, en met die naam Betekenis, in weerwil van De stilte die deed pijn Aan onze oren. Het liefst van al wilden we Dit alles ontstijgen Met goden, geloof, genot, gekte En genialiteit, het zou ons lukken Daar te komen, Het had iets voorbestemds Althans, zo had...

De dood van de tragedie

Over gewone dingen Valt met zekerheid Niets bijzonders te vertellen. De hele inboedel van een huis Is het noemen niet waard, noch Haar tred of gewaad, de tooi Van haar haar, een uitdrukking Op haar gelaat, een enkel gebaar Niets van wat ze zegt Tenzij (En enkel dan) Wanneer Al is het maar Een fractie Vermoeden doet Dat wat zich aandient Net iets te hard Zijn best doet Om op het normale te lijken. Dan, dan heeft hij Werkelijk iets Om naar om te kijken. De gek Is het geluk Van de schrijver.

Ampersand

Wie is het Die je ziet Als je mij In de ogen kijkt? En wie is het Die je aankijkt? Wie spreekt Tot wie Als je mij toevertrouwt Wat nog niemand Van jou weet? Wie gaat Met wie Z'n eigen weg Wie neemt wie Mee en wie Laat wie achter Wie weet En wie vergeet Wie blijft Ten allen tijde Zichzelf Wie is het Die de stilte breekt?

QED

Uit de lijnen de tekening Uit de penseelstreken het schilderij Uit de lichtvlakken de foto Uit de vormen de vaas van klei Uit de muren het huis Uit de golven de zee Uit de wind de aai Uit de adem de zucht Uit het wel het wee Uit de woorden het verhaal Uit het proeven de kus Uit de leegte de lucht Uit het vlieden de vlucht Uit geroezemoes het gerucht Uit de weelde het weinige Uit het beginnen het eindige Uit het verbeelde het zijnde Uit het wazige het welomlijnde Uit elk van ons  Een ik en een jij  Die samen iets weg hebben Van wat bij toeval li jkt Op wij.

Land van tegenlicht

Tussen het glas en het zilver Aan de achterwand Huist een land Van tegenlicht Louter zichtbaar Voor wie voorbij Zichzelf kan kijken Naar wat verschilt Tussen aanschijn En gezicht. Hier geen diepgang Noch demonen Verwar het spiegelbeeld Niet met zelfinzicht Noem inkijk Niet tot inkeer komen Want niets Dat verhelderender is Dan de oppervlakkigheid Hier in dit land Van tegenlicht.

Wezenlijk wendbaar

We zijn van slag Om slinger scheef en schots Beduimeld van stof tot steen Muren van water En zeeën van rots Exoten van nu Vluchtelingen van later Vervallen, steeds weer En heen Alleenzaam tot op het bot Genoegzaam nooit Meteen terstondig Bedacht misschien En bemind enkel En ver van eenvoudig Eén We dansen als quarks  In het licht van de zon En wanen ons werkelijk Wendbaar Wezenlijk On en echt Geenéén.

Inconsequentie

Dat we van botten zeggen dat ze breken En van huid dat ze scheurt Heeft met de traagheid te maken Waarmee de overgang van het ene Naar het ene en het andere gebeurt. Zodoende gebeurt het zelden Dat stof of water breken, Een dijk of glas, of het verzet van een moedig mens scheurt. Waarom dan toch van hartverscheurend spreken, Als de een het hart van de ander breekt En haar geen blijk van liefde meer waardig keurt.

Anima aeterna

De onderkant van een stoeptegel De naad van een boek aan de binnenkant van de band, de binnenband In het wiel van de fiets waarmee je rijdt over de dijk naast het strand, het zand Onder de golfbreker, voorlopig nog De onbeschadigde wand aan de linkerkamer van je hart, een rand  Die per toeval in het midden van een vlak is aanbeland De potloodpunt, voor hoe lang nog verborgen, in het houten hulsje in je hand Het kant, dat edele verband, dat lang voordien Geklost, alles verwant,  En pas opnieuw verschijnt  Wanneer wat is ternauwernood vervliegt verdwijnt verdampt.

Bruisend water

Als het water me niet lekker zit Vroeg de vis zich af Waar moet ik dan heen? Want van water Hoor je niet te weten Dat het je omgeeft En wie om water geeft Zoals ik Die wordt al snel gemeden Want plots vatbaar voor verzinsels Als verdrinken en verdriet En tranen met tuiten toe maar Waar moet dat heen De lucht, het land Wel neen Daar is geen leven mogelijk Ondenkbaar Als vis van water weten Maakt het onmogelijk Te vergeten Dat er geen reden is Voor dit bestaan Als mens Kan ik dit weten Ook al ben ik al lang vergeten Waarom ik ooit vanuit het water Aan land ben gegaan. Het is precies alsof Je zou weten waarom Iemand ooit Water met gaatjes Heeft doen ontstaan.

Dura lux, sed lux

Ze is het op één na oudste Wie weet wel het oudste Wat er is, ze is Niet in leeftijd te vatten Want leven en sterven Zijn haar volkomen vreemd Ook al zijn ze aan haar ontsproten Verwant Toch is niets haar zo ontheemd Ze gaat waar wij nooit zullen komen Wij hebben daar simpelweg De tijd niet voor Haar tijd niet voor Zij is ons weten Én ons vergeten Zij geeft aan alles geweten Als in "het is geschied" Als het niet door haar Beschreven is Bestaat het ons niet Zij heeft een paar profeten Wiens ogen nooit anders hebben geweten En toch, toch is er ook buiten hun Aan de wereld onttrokken zicht Een glimp van haar  Dat hen doortrekt Hun verbeelding tot leven Hun leven tot leven wekt Er is sindsooit geen houden aan Noch hebben, ook al heeft men geprobeerd Hebben wetenschappers, kunstenaars Haar uitvoerig bestudeerd Hebben we in tal van vormen Een glimp van haar Gerecreëerd, zij is van geen omvang En voor geen vorm te vangen Zij vormt, wat men ook beweert Of eigenhandig boetseert Zij is...

Poppenspel

Wie Wie heeft hier de touwtjes in handen, wie Bespeelt hier wie En wie wordt bespeeld Laat zich bespelen De wil ontstelen Wie is hier nu wat Van wie, wie neemt het heft In eigen handen Wie deelt hier de lakens uit Wie is hier aan wiens handen En voeten gebonden Wie weet zich met zichzelf geen blijf Wie is geen baas over eigen lijf En leden wie lijdt, wie leidt Wie wacht, wie wikt, wie weegt En wie is na afloop Echt overleden Wie zal als straks het doek valt In de kist belanden Wie is de pop die in het plaatje past En wie de meester van zijn eigen lot Wie vertolkt en wie vertelt Wie verstomt stemt in met alles  Wat de ander zegt Wie bepaalt wat telt En niet telt, wie spelt Wie de les, wie zwijgt Wanneer de ander zwijgt Wie spreekt met eigen stem Wie breekt van tijd tot tijd Wie heeft wie getemd Wie heeft nooit of nimmer spijt Wie maakt geen onderscheid Tussen heden, verleden of toekomende tijd Wie is boven, wie beneden Wie houdt het in de hand Wie bedenkt en wie belichaamt Wie laat...

Dondermars

Het regent Het valt De wolken zwaar Kijk maar Hoe ze zich voortslepen Van hier Naar daar Teneer geslagen reuzen Donderend langs de horizon Met af en toe een blik Schichtig een in licht Gevatte vloek De grond in borend Met veel misbaar.

Rusten in beweging

Zoals het water in de golf De meeuw in de storm De nerf in het blad In de voorjaarswind De kleine kangoeroe In moeders buidel Terwijl ze gezwind Over de graslanden springt Het kleefkruid in de vacht Van de kat Die achter de veldmuis sprint De wiegende wilg in de grond Die razendsnel rond De zon spint De ijsvogel die wacht Terwijl het heelal In volle kracht Verder expandeert Terwijl een bloem een tegel verlegt Een schimmel, Samen met een alg, Rots tot aarde verteert Wat hard is vertedert Tot stof dat voedt En groeit en bloeit En beweegt en verstart Weer van steen Tot stof wederkeert Zoals water in de golf De meeuw in de storm De nerf in het blad In de voorjaarswind.

Me-nietje

Net zomin Als je de rivier kent Hoe vaak je haar ook over zwemt Of het pad Dat je iedere dag Opnieuw met haar verkent Het verhaal Dat ze jou Dat je tot vervelens toe vertelt De koffie Die je elke ochtend Voor haar schenkt De frons op haar gezicht Wanneer ze bij zichzelf denkt Wie is die man De me wenkt Zo bestaat er ook geen gewoonte Die ooit volkomen went.

Hoogteverschil

Hier Is de lucht ijler Weegt elke inspanning Twee keer zwaarder Kan ik met elke ademteug Half zoveel Dan jij Vandaar dat wij Nooit uitgepraat raken Wij nergens samen Aankomen, ik te traag Jij te snel of ik al daar Waar jij nog onderweg Elkaar zo voorbij Als jij nog maar net begonnen bent Ben ik het einde al nabij Waar we ook gaan Hier Is de lucht altijd ijler Voor mij Valt slechts  Half zoveel te halen Ik word moe Van al dat wegen Wat kan er nog van af Wat mag er nog bij Wie is de moeite waard Om bij te houden Of om te laten gaan Wie geef ik op Om net genoeg  Te blijven geven Om mezelf Om net genoeg Te kunnen geven Om iemand Die om mij geeft Zoals jij?

Tempus fugit

Wij laten hen zo Achter Met de beste wil Van de wereld Kunnen zij Ons niet bijhouden Gebonden Als ze zijn Aan één enkele plek Laten zij ons Zo achter Wij kunnen hen Niet bijhouden Wanneer zij Nog bloeien Zijn wij Al lang Voltooid Vervlogen tijd.

Schimmel

Nog voor het zaadje kiemt Zijn zij al uitgelopen In de bodem voorgekropen Op zoek naar waar het verdient Om tot ontspruiten te komen Niemand die hen ooit zal zien Men denkt: wortels, stam, kruin Zo zijn bomen, toch Zou er zonder hen Nooit iets van al wat bloeit Ter wereld komen Zij die met zachte hand Zelfs de hardste rotsen  Weten te vertederen Tot land Om tot leven te komen.

Acte de présence

Een spiegeltje, een bus met haarlak Een kam om onstuimige haren Steeds minder Te bedaren waren we In Hollywood Je had een hele trailer Maar hier Hou je het  Bij een bruinlederen schoudertas Meer heb je niet nodig Om hier en nu (Of daar en dan Het is je om het even) Te worden wie je zijn wil Werkelijk alles en iedereen Breng je in een oogwenk tot leven En als het doek valt (Valt het doek ooit?) Maak je een buiging Dat laatste niet meer zo diep als vroeger Er zit meer zwierigheid In je lach dan in je heupen En leg je elke ander Te rusten, liefdevol En dankbaar voor wat die jou Heeft gegeven Zachtjes op de bodem Van je bruinlederen tas Op een dag zal iemand  Jou daar vinden Waar bleef je toch? En dan pas Dan pas zal men weten Hoe mooi je was, hoe mooi Gewoon, gewoon Zoals je was. Voor Jo.

Kringwinkelgeluk

Mij loop je nog het liefst tegen het lijf In een winkel voor spullen Met een tweede, derde, vierde leven Dat zet namelijk perfect de toon Voor wat ik je te bieden heb Wat ik je wel en niet kan geven Niets aan mij is voor altijd Noch voor eeuwig Ik ben in een voortdurende staat Van voorbij gaan Van op het punt staan Het hier of daar ooit eens te begeven Maar nu nog niet Ik kan gerust nog een tijdje met je mee Geven, je aanpassen Hoort nu eenmaal bij het leven En als het goed zit Past jouw leven  Zich ook wat aan aan mij Een beetje rommel Ruimt op, en wat licht gehavend is Geeft standing aan de finesse Van mensen en meubels die hem omgeven En om hem geven Voor het geld hoef je me alvast niet Te laten, als het tussen ons Toch niet meer zou klikken Sta ik zo weer op straat Zo makkelijk als je me kunt krijgen Zo eenvoudig is het Om me weer weg te geven Maar wil je me houden Voor het leven Dan sta ik voor je klaar Wees dan teder Met onze tijd Stoffeer me met elke dag Met nieuwe herinneri...

Ontwenning

Je mag niet in de zon kijken Maar als je lang in het donker hebt geleefd Doet alle licht pijn Je mag niet ongezond eten Maar als je lang uitgehongerd bent geweest Maakt elk voedsel je misselijk Je mag niet te veel drinken Maar als je lang je dorst niet hebt kunnen lessen Doet elke drank je duizelen Je mag niet aan het vuur komen Maar als je lang in de kilte hebt vertoefd Voelt alle warmte als verschroeiend Je mag jezelf niet zo bloot geven Maar als je lang genoeg niet bent aangeraakt Doet elke tederheid pijn.

Kleinnood

Dit is het dan Wat ik te bieden heb Niets meer Dan een sneeuwvlokje Onderweg Naar een plek Om te landen Misschien op een verlaten strand Op zwarte rotsen Asfalt een drukke weg Een auto op weg naar Wie weet waar Ik zal aanbelanden Een vogel In volle vlucht Vroege voorjaarsbloem Op de randen Van kelk, blad, omsprietend gras Aan de oever Of in de rivier Als ik geluk heb Wie weet Ooit in jouw handen Als ik geluk heb Valt het licht net dan Net goed Zie je mij Voor je huid Me verandert In een druppel Die meandert Langs de zacht Gewelfde randen Van de plooien Aan de binnenkant Van je hand Dit is het dan Wat ik te bieden heb Niets meer dan Een sneeuwvlokje Onderweg Naar een plek Om te landen.

Infinitesimaal

Zoals die ene kleine eikel Hier in jouw hand Wel duizend bossen In zich draagt Zo wonen in het landschap Van ons lichaam Al meer dan duizend Dochters en zonen Met een veelvoud Aan ongemaakte plannen En onontwaakte dromen En minstens even veel Onvoltooid verleden Als heden Dat nog lang niet Aan voorbij gaan Is toegekomen Zo is alles Zoals die kleine eikel In jouw hand Voortdurend Onvolkomen Gaat met elk leven Dat begint Een hele wereld open.

De oude zanger

Hij is een oude zanger Zijn lot is bezegeld Zijn stem nadert de laatste noot Na iedere ademteug Is het bang afwachten Of er nog iets moois komen gaat. Men viert alvast zijn leven Maakt nog een laatste plaat Je weet hoe dat gaat In het gouden uur Voor de nacht haar intrede doet Klinkt alles anders Krijgt alles een ander gezicht Zo sprak hij laatst In een interview over zijn rijk Gevulde leven, zelfs de stilte Hing aan zijn lippen Het was ontroerend mooi Het leek wel alsof hiermee Zijn leven was voltooid Zoals met bloemen, slipjes Knuffels, complimenten en ander moois Dat men na een optreden Naar de zanger gooit Strooit men nu overal Te lande met herinneringen Aan wat hij wist te bekoren In het leven van gewone stervelingen Daags na het optreden in de televisiestudio Gaat de dag weer aan Gaan de gordijnen open Het zonlicht aan Een sjofele oude man Komt zuchtend, steunend en hoestend Uit zijn bed gekropen Scheldt zijn vriendin de huid vol Met woorden die voor zijn moeder Zijn bedoeld, die...

Paradijs

In deze bibliotheek Heerst orde En rust Is het overzicht finaal Compleet Dat was ooit wel eens anders Met planten, dieren, schimmels Zeeën en rivieren, bergen Woestijnen, goden, een heelal,  Een knal, quarks bij de vleet Alles Door elkaar En met elkaar En in elkaar verweven Zo onbeheersbaar  Zo ongrijpbaar Zo onleesbaar was het leven Zo onvindbaar einde en begin En dus schiep De mens orde in het leven Scheidde hij vakkundig Waan- en on- en zin Ontdeed wat werkelijk was Van verbeelding Kennis van dromen Toekomst van heden En herinnering En zie Wat ooit onbegonnen was Is nu alsnog voltooid In deze bibliotheek Heerst eindelijk rust En is het overzicht finaal Compleet Er staat nog één enkel boek Dat Des mensen is het mensdom heet.

Fenix

Het is niet om dat je mij de mond snoert Dat wat in mij spreekt, zal zwijgen Het is niet omdat je mij het zicht ontneemt Dat ik blind zal zijn voor wat ik zie Het is niet omdat je mij het luisteren belet Dat ik doof zal zijn voor wat gehoord wil worden Het is niet omdat je mij de voeten ketent Dat ik niet langer vrij zal zijn te bewegen Het is niet omdat je mij de handen bindt Dat ik niet langer kan omarmen Het is niet omdat je mij het leven beneemt Dat wat leeft met mij zal sterven.

Je vroeg

Je vroeg niets En ik dacht Help me Je zei niets En ik dacht Help me Je deed niets En ik dacht Help me Je at met me En ik dacht Help me Je nam me in je armen En ik dacht Help me Je kuste me En ik dacht Help me Je sliep met me En ik dacht Help me Je huilde En ik dacht Help me Je bleef En ik dacht Help me Maar ik hielp je niet Wat ik ook dacht Te doen Ik hielp je niet Ik ging weg En ik dacht Help me.

Straniero universale

Dit is een wereld Met alleen maar vreemdelingen Geen mens Weet hier waarheen Ook daar vandaan Blijft onbestemd Voor iedereen In niemands land Is terecht zijn altijd echt En echt terecht Voor iedereen Hier huist men Louter in herinnering En die vervaagt meteen Zo blijft hier niemand lang  In het verleden hangen En is hier niemand lang Iemand alleen.

Time will tell

Zoals een boom In de winter Een blad Of een meer Windstil De golfslag Een kip Het kuiken ei Zo na de leg Of een huis In aanbouw Het afscheid Het witte doek Onaangeroerd Het meesterwerk De rups Voor de pop De vlinder Zo kan ik Wat jij mij vraagt Nog steeds niet Onder woorden brengen.

Bericht aan de bevolking

Ze worden steeds minder zeldzaam De ons ontvallen ouders Heel af en toe Was er iemand Wiens vader of moeder al ging Nog voor zoon of dochter Hen had afgelost in 't ouderschap Wees worden in je kindertijd Was een uitzondering Maar nu de veertig nadert En wij zelf ten volle in 't ouderschap staan Daagt het besef Hoe weinigen het is gegeven Dat stukje leven te beleven Tussen ouder en ouderling En hoeveel verweesde kinderen Van dertig of veertig  Er vandaag bestaan.

In meridiem

Tussen dag en dauw De hemel twijfelend Tussen twee tinten Blauw ontwaken wij Halfwaak halfslaap In het grensgebied Tussen droom En werkelijk wakker Tussen verbeelding En daad Onmogelijk Om van hier Uit te maken Welke kant de tijd op gaat Vroeger ontstak men een kaars Men at wat Las wat Vree wat Met zichzelf Of met elkaar Men sliep met twee (Of zelfs drie of vier) Slaapjes wat was en wat kwam Aan elkaar En wat daar middenin Was noch einde Noch begin was Onbestemde tijd Die ons vandaag tot wanhoop drijft Wij weten met haar geen blijf Achten haar verloren Ons ontstolen slaap Putten ons lijf Uit met woelen en voorvoelen Van de vermoeidheid Die ons tijdens de dag Zo verzekeren wij ons Overvallen gaat Maar wie van ons Kent nog de maat Van waken en slapen Wie van ons Kent nog de maat Waarmee het leven gepaard gaat Wie van ons Kent nog het verhaal Van de god die de titanische tijd Tot slaaf heeft gemaakt Is het ijdelheid Die ons verleid heeft Tot een blind geloof In een volmaakt meesterschap V...

Eeuwwisseling

Vroeg de leraar Aan het kind Beschrijf mij eens Een eik Van honderd jaar. Dat, zei het kind, Lukt me nooit Want ik ben negen En hoe oud u bent Daar heb ik het raden naar Maar over honderd jaar Zit hier Een ander kind Tegenover een andere leraar Met precies hetzelfde antwoord Op precies dezelfde vraag Ik denk dat enkel Eiken kunnen Wat u vraagt En dan nog enkel die Van honderd jaar.

Met de beste bedoelingen

Ze waren wanhopig Op zoek Naar houvast Om hun onbehagen Aan op te hangen Zo vonden ze elkaar En bleven ze elkaar houden In evenwicht Wankel, maar in evenwicht Voorwaar. Toch werd het hem Op een dag Alsnog te zwaar En toen hij brak Schold ze hem uit Voor lafaard Voor zwakkeling En leugenaar Met een gebrek Aan ruggengraat En zelfkennis. Waarom kon hij Er niet gewoon altijd zijn Voor haar? En dus vertrok hij maar Nam zijn onbehagen Met zich mee Het duurde nog een paar jaar Voor hij besefte Dat hij nog steeds Onbehagen torste Voor twee. Dat was het hem niet waard En terstond liet het hare achter Klaar. En het zijne? Dat was hij ondertussen Wel ontgroeid Hij maakte er wat lappen van Om mee te poetsen En verder Zat hij er niet mee.

Arboretum

Ze zijn geworteld Vanuit hun tenen Verankerd in volle grond Van verdwalen moe Boom geworden En hebben een verbond Gesloten Met de vogels De wind en de regen Nu hun stem is verstomd Dat zij voor hen zullen spreken Weldra Zijn zij het woud  Waar wij in wonen Wij tussen hen Zij rondom ons Ons onderkomen Hun tijd zo traag Dat het ons de adem zou benemen Hun niets doen zo indrukwekkend Dat we er een leven lang Van moeten bekomen.

Lentementissimo

Vandaag vermommen we ons Druk doende Bezeten van bezigheid Wie de tijd neemt Om te wachten Op wat gaat komen Wordt angstvallig bekeken Dat dralen Daar komen ongelukken van Daar is iets mis mee  Dat kan niet anders Naar het tehuis ermee Naar het huis ermee Waar ze thuis horen De levende doden Onder de rustelozen Die stiekem Achter de gesloten gevels Van hun duurbetaalde privéparadijsjes Snel snel snel Op adem trachten te komen Uit alle onmacht Trachten te ontkomen Aan de vrees voor wat  Onvermijdelijk nog gaat komen En ondertussen dwalen De tragelingen schoorvoetend En schuifelend Door de geijkte gangen Van de dwaalhoven Waar zij geacht worden Tot genezing, tot inzicht En alsnog bij zinnen te komen Wordt hen uit alle macht De mogelijkheid tot in- En uitleven ontnomen Want van al dat dralen En verdwalen kan en mag Onmogelijk iets goeds komen En zo razen de rustelozen voort Zoals het hoort Hoor je het ZOALS HET HOORT Snakkend happend bijtend Naar een adem Die hen steeds maar lijk...

Boomwijsje

Hij popelt, Hij pietert, peutert Hij wil zo graag, Zo hard, Zo hoog, Zo lang, Zo breed, Zo soepel, En zo sterk, Zo taai, Zo trots, Zo meesterwerk, Zo onverschrokken Zo diepgeworteld Zo breedgeschouderd Zo jong van geest Zo mooi verouderd Zo hier En nu Zo van toen En voor altijd Zo honderd jaar Zo onmenselijk Traag Zo bast Zo vol Rimpelringen Tijd Gestameld Gestold Gestild De eeuwigheid Hij popelt Hij pietert Hij peutert Hij wil zo graag De eik.

Tederling

Het blad dat na een klein jaar Hard werken Zich te rusten mag leggen Op het mos De dauwdruppel Die zelfs het scherpste gras streelt Zonder zich te verwonden De hommel die Met zacht gebrom Dommelt in de ochtendzon Een knuistje om de duim Van een moederhand En een hoofdje dat meedeint Op haar borst Avondlicht op het dressoir Dat teder speelt met haar Haren in haar parelmoeren borstel Die ze als het ware speciaal Voor hem daar heeft achter gelaten Wanneer ben jij voor het laatst Met liefde aangeraakt?

Vertraging II

Vanavond ga ik om je huilen Als niemand het ziet Zal ik om je huilen Ogenschijnlijk wars Van verdriet Want huilen gebeurt hier niet Buiten- maar binnenhuids Vanavond ga ik om je huilen. Vanavond ga ik om je huilen Als niemand kijkt, kom ik Nog een laatste keer Naast je staan, met jou De maan gade slaan En verbergen we open en bloot Ons gezicht in haar Geleende licht Tot we onze blik Jij rechts ik links Afwenden En onze eigen schaduw Achterna te gaan, vanavond Ga ik om je huilen. Vanavond ga ik om je huilen.

Vertraging

Vandaag ga ik om je huilen. De film is al lang afgelopen Het geluid van de laatste dialogen Al lang weggestorven Het zaallicht niet langer gedoofd  Dompelt alles onder in warme schemer Het publiek is weldra weer thuis De zitting van de zetels Heeft zich weer helemaal in z'n vertrouwde plooi gehesen Van wat zich hier afspeelde Is geen spoor meer te bekennen Het lijkt wel alsof Hier nooit iets heeft plaatsgevonden Dat het bekijken waard is geweest. Vandaag ga ik om je huilen.

Versa vice

Als je je kunt uiten Kun je je dan ook innen? Kun je Wat je naar buiten brengt Ook tonen Maar dan langs binnen? Zijn expressie en impressie Uitdrukken en indrukken Niet gewoon andere namen Voor één en dezelfde bewegingen? Is binnenhuids voelen Dan niet gewoon Vertellen en ademen Niet een heel intieme vorm Van beminnen? Als je je kunt uiten Kun je je dan ook innen?

Autimuniteit

Als het lichaam zich geen weg met je weet Je je met jezelf geen lijf noch blijf weet Inkeer geen uitweg biedt Inzicht geen uitzicht Op een ommekeer Dan mag je nog zo tekeer gaan Je hebt geen enkel verweer Tegen je eigen afweer. Als het lichaam zich geen weg met je weet Je geheugen je vergeet Te vertellen wat je weet Je gevoel je blind maakt Voor wat deert En niet deert Dan sta je daar Alleen Met niemand  Behalve je lichaam Als een vreemde om je heen Die elke toenadering Van jouw kant Afweert. Als het lichaam zich geen weg met je weet En elke intentie verdwaalt En nooit in lichaamstaal verbeeldt Wat er scheelt Dan kan je enkel toekijken Hoe de ander verveeld Reageert, je een gebrek Aan inlevingsvermogen toebedeelt Niet wetend dat je niet kunnen uitleven Net is wat er speelt.

Wat je natrappen noemt

Het lange gras is murw Geslagen geen beweging Te bespeuren Van de wind Die hier zopas nog furieus Tekeer ging. Blauwe lucht Een heerlijk zonnetje Stilte Wat vogels die aarzelend Een deuntje uitsturen Met iets meer tremelo Dan gewoonlijk Behoedzaam Alsof de bries Ineens op haar stappen Terug zou kunnen keren Om hen de snavel Te snoeren. Wie hier pas komt kijken Zou het pathetisch vinden Hoe het veld erbij ligt. Wellicht Zal het nog een dag of twee duren Voor het gras Weer aan wuiven toe is Als het al weer tot wuiven komt Voor een nieuwe storm De kop op steekt.

Agnose

Als we zo veel delen Vroeg ik aan de hond Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan het varken Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan de bonobo Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan de kraai Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan de eik Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan het kelkmos Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen Vroeg ik aan het water Hoe weet ik dan Wat nu van jou Of van mij is? Als we zo veel delen? Vroeg ik aan de psychiater. 

Tussentijd

Weet je wat het is Zei de beroemde cellist Het is de stilte Die het hem doet De stilte Tussen twee sonates Die me vertelt Hoe het verder moet. Weet je wat het is Zei de jongen Tegen het meisje Het is de stilte Die het hem doet De stilte Tussen twee ontmoetingen Die ons vertelt Hoe het verder moet.

Voer voor psychologen en andere geestigaards

Het zit tussen je oren. Zei hij Alsof hij er iets van wist. En als je mij Maar genoeg laat horen Dan vertel ik je wel Hoe het komt Dat je je vergist. Van wat er gebeurt Tussen jouw en mijn oren Heb ik helaas geen verstand. Antwoordde ik Wetende Dat ik dat echt niet wist. Maar over wat ik zie Dat er tussen onze neuzen gebeurt Heb ik me maar zelden Of nooit vergist.

Kom je volgend jaar terug?

Kom je volgend jaar terug? Vroeg het varken aan de zwaluw. En het antwoord Liet een jaar op zich wachten. Kom je volgend jaar terug? Vroeg het varken aan de korenbloem. En het antwoord Liet een jaar op zich wachten. Kom je volgend jaar terug? Vroeg het varken aan de vlinder. En het antwoord Liet een jaar op zich wachten. Kom je volgend jaar terug? Vroeg het varken aan de besjes. En het antwoord Liet een jaar op zich wachten. Kom je volgend jaar terug? Vroeg het meisje aan de jongen.

Amfora pandora

Ik heb een kruik Van zwarte klei Waarvan de binnenkant Bekleed met spiegelwand Tot aan de rand Gevuld is met eigenwaan En valse tranen Van wie dacht Zich te moeten wanen De hoeders van mijn zelfbeeld Wiens zacht gezalfde handen Enkel bekwaam bleken Om mij slaandeweg Tot zelfzorg aan te manen Bezorgd als ze waren Om vooral hun eigen gemoed Niet te bezwaren Met verdriet, gemis en pijn Van voorbije jaren.

Bekentenissen van een flaneur

Zo snel als ik denk Zo traag wandel ik Soms ben ik nog nauwelijks merkbaar In beweging Dan lijkt het alsof Alles aan mij voorbij gaat Maar zo snel als ik denk Zo traag wandel ik. Zo snel als ik praat Zo traag wandel ik Dan zijn er dagen Dat er van vooruitgang Geen sprake lijkt Maar zo snel als ik praat Zo traag wandel ik. Zo snel als ik voel Zo traag wandel ik Het gebeurt Dat men mij vergeet En men mij alsnog wil meenemen Terwijl men vergeet Dat ik daar al lang ben geweest Want zo snel als ik voel Zo traag wandel ik. Zo snel als ik leef Zo traag wandel ik Het overkomt me Dan ook wel vaker Dat men bij vergissing denkt Dat ik opgehouden ben Te bestaan Maar zo snel als ik leef Zo traag wandel ik. Zo traag als ik adem Zo traag wandel ik Soms. Dan. Het gebeurt. Het overkomt me. Want zo traag als ik adem Zo traag wandel ik.

Megalaya

Wijsheid is uiterst traag Doorleefde tijd. Wijsheid is een brug zien In een zaadje Dat pas ontkiemt Wiens wortels vervlochten zullen worden Door vingers Die nooit de jouwe zullen voelen Tot een bouwwerk Waar niemand in hetzelfde leven Ooit het begin En het einde van zal zien Bewandeld door mensen Op weg Naar een plek waar jij nooit zal aankomen Vertrekkende uit een wereld Waar zij nooit zijn geweest. https://youtu.be/HWHSrE5bq1U

Augiastaal

Het lijkt wel een Augiasstal Zo onophoudelijk en massaal Komen de woorden Uit je mond gestroomd Tot je proestend ten onder gaat In je Ik -ben-in-de-war-taal. Hoe meer je spreekt Hoe meer je moed Je in de schoenen zinkt En hoe minder je gezegd krijgt En verdrinkt Wat gehoor moet krijgen In een kletterend totaal Nietszeggend kakafonisch kabaal. De oplossing is nochtans fenomenaal Eenvoudig. Houd je lippen op elkaar.  En maak met veelmeerzeggende stilte Plaats voor die andere taal Die luister-naar-mij -je-lichaam-taal Kom daarmee eerst op verhaal Tot je voelt Dat wat nu in je woelt Bedaart Alles langzaam Heeft kunnen bezinken En je je opgeruimd genoeg voelt Om opnieuw te spreken Zonder te verdrinken.

Galium Aparine

Je handen zijn als kleefkruid Met zijn in zacht strelen en geven Verhulde nemen Dat speels aanraakt  En weerhaakt Ik ben bij je Tot laat me niet los Maakt, met haartjes zacht enerzijds En anderzijds messcherp Elke tederheid tot dreigende kwelling maakt. Je handen zijn als kleefkruid Wat van mij Louter lichaam maakt Dat ervoor moet zorgen Dat je daar raakt Waar je ontkiemen kan Wanneer je mij voorgoed achter laat.

De draaglijke lichtheid van het bestaan

 Het is niet aan mij Om je onrust te dragen Zoals het ook niet stormt En regent in mij Als buiten de wind Als een bezetene tekeer gaat En de regen driest teneer slaat Alles en iedereen Die zich verweert. Want ik ben het tere herfstblad Dat op het kolkende water drijft En daar blijft Tot lang nadat de rust is weer gekeerd. Het zachtjes wiegende wier Op de immer rustige bodem Van het meer Diep onder de schuimende, fluimende golven Op het dreigende water Zwart als teer. Geen meeuw die eraan denkt Om bij harde wind Het onweer Met nog meer vleugelslagen Te verjagen Wie meeuwen kent Die weet Dat zij zo wijs zijn Om zich te laten dragen Tot waar de wind Vanzelf gaat liggen. Omdat zij weten: Het is niet aan mij Om je onrust te dragen.

Ik ga mijn hart

Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Ik ga mijn voeten Mijn handen Mijn armen, benen Vingers, tenen Hoofd, hals, nek, rug, keel Ogen, oren, neus Tong, lippen, mond Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Mijn adem Mijn bloed Mijn gal Mijn lymfe Mijn maagsap Mijn hersenvocht Mijn tranen Mijn zaad Mijn zweet Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Mijn longen, mijn darmen Mijn maag, mijn lever en nieren Mijn alvlees- en andere klieren Mijn binnenoor Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Mijn spieren, pezen, Zenuwcellen Bind- en ander weefsel Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Elk bot elk beetje Kraakbeen Haartjes kop tot teen Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Ik ga mijn geslacht Mijn penis, mijn eikel, Zaadleiders, teel- en bijballen, Prostaat, blaas, aars Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart Ik ga mijn hart.

Album

Het album Ze was zich van geen kwaad bewust En ontvouwde zich gewillig In de vertrouwd voelende handen Berustte in de blik Die haar bladzijde Na bladzijde streelde Als was die van hem Met wie ze al die jaren deelde Het in licht gestold verbeelde Verleden dat zij zorgvuldig bewaarde En dat, zo beeldde zij zich in, Zij van vergelen en vergeten heelde  Zoals zoveel van wat in het gekrakeel Van ons levenslang herinneren Verloren ging. Maar dan ineens hielden de vingers op met strelen Werd het aaien graaien en sleuren en scheuren Rukten ze het zorgvuldig in herinnering gevatte licht uiteen In een biljoen voorgoed onleesbare kleuren Voor altijd anoniem en ontbonden Van het gebeuren Dat hen destijds had samen gebracht En zo werd zij gesloten Van buiten gaaf Van binnen verscheurd Geschonden en gebroken De band tussen wat is en was Ontbonden Ze treurt om wat is gebeurd Haar bladzijde dof en mat Geen glans meer te bespeuren Helemaal in zichzelf gekeerd Vraagt ze zich af Zal hij haar ooit nog...

Het soortelijk gewicht van adem

Het lichaam Is de enige plek  Waar adem kan zinken. Want wie ademt Die weet Dat adem kan zinken Kan zinken Zo diep O Zo diep Als ze maar zinken kan. Als ze maar kan zinken. Dan zal ze zinken Geheel op eigen kracht Zo door en door onzwaar Wat leeg is voldrinken. Zo diep Zal ze zinken Dieper dan Je dacht te denken Haar te kunnen dwingen Nog dieper dan De bodem Waar je dacht dat enkel angst kon bezinken Nog dieper zal ze zinken. Het lichaam is de enige plek Waar adem kan zinken.

Fatum

De hand die op zijn schouder ligt En hem dicht tegen haar aan trekt Verstrakt zijn greep wanneer hij zich weer opricht En aanstalten maakt om ook maar iets te doen Wat lijkt op een vertrek Duwt zijn schouder naar de grond Houdt zo zijn hoofd gebogen Uit bescherming voor wat zij zegt Dat komt Zo wordt hem voor-gelogen Ze hem als een volleerde lorelei Het zich belet Op wat elders Dat hem oprecht zou kunnen bekoren Want nooit was de hand bedoeld Om hem op weg te helpen, noch Om hem bij te staan, louter Om zelf zijn weg te vinden Haar tot bekommernis vermomde greep Was een wanhopig aanklampen Van een drenkeling Aan een rots of voorbij drijvend vlot Die — zo liet haar hand verstaan — Haar redding zou brengen Daar had hij geen twijfelen aan Hij was haar lotsbestemming Zij zogenaamd Zijn medicijn Voor een kwaal wiens pijn Ze kost wat kost wilde ontvluchten Om niet met haar angst alleen te zijn. En dus kwam het moment Dat ook hij verzonk In haar oceaan van met weldoenerij gemaskeerde waan Denk...

Lieverling

Naast troost helpt poëzie Misschien wel het meest Wanneer verdriet zich niet langer laat verdringen En in buiten oorbereikbaare toonaarden De dingen uit hun dagelijksheid Telkens weer weet los te zingen Tot je dag na dag een ademtocht tekort komt Om zelfs het kleinste gebaar Dat op gewoon lijkt aan te vatten Het opkomende water In het afvoerputje terug te dringen En het licht te dwingen Om te wachten met het strelen Van je geliefkoosde katten Tot jij klaar bent om te spinnen Binnen Is stilaan zo buitenmaats Wat eens voorspoedig was Is nu tegendraads Alles bestaat tegenwoordig Uit tweelingen Met één van toen en één vandaag En daartussen jij Die zweeft Alsof je niet bestaat Geeneenling Jij weet met jezelf geen raad Net omdat jij niet uit twee Geen één van toen noch één van vandaag Geen antwoord los van de vraag bestaat Wie op twee plaatsen tegelijk moet zijn Komt steevast overal Te laat Tot poëzie Tot poëzie Opdaagt En zelfs de gekste dingen Weer samen brengt tot zinnen Die moed geven om...

Amor amorf

Ik ben een kever Maar dan omgekeerd Met mijn pantser diep vanbinnen En mijn zenuwstelsel Naar buiten gekeerd. Zo houden beiden De rest van mijn lichaam Gevangen terwijl alles me meer Dan me lief is Deert. Ik ben een mens Maar dan binnenstebuiten gekeerd Met een lijf dat mijn huid omarmt Die diep van binnen ligt gedrapeerd Over mijn los gezongen beenderen Zo houdt wat noodwendig uitwendig is Mij overeind, ogenschijnlijk beheerst, Maar meer krampachtig dan machtig Terwijl het leven Me ongenadig van buiten verteert. Ik ben een rots Maar dan vanbinnen verweerd Door koude adem, schurende hartstocht En een niet aflatende storm Van striemende indrukken Gegroefd, gegriefd, gegraveerd Poreus tot op het bot Niet wetend waarheen Met alle kracht Gebald, geprangd In een ongemakkelijk evenwicht Tussen exploderen en imploderen Gemanoeuvreerd. Ik ben een rivier Als een zee Om het land gemeerd Met aan de buitenkant Haar binnenland En aan de binnenkant Het zelfde land maar dan buitenlandig Ben ik geweer...

Geboortedorp

Het hele dorp is uitgelopen Ons bed is een grensgebied geworden Tussen generaties en voorbije verhalen Waarvan de hoofdrolspelers hier Nu samentroepen Het is een gekrakeel van jewelste Als boven de wieg van een boorling Die met grote ogen, bonzend hart En tuitende oren moet aanhoren Wat nog met geen zintuig te begrijpen valt Dan liever nog wat langer ongeboren In het vruchtwater zweven Enkel op het ritme van onze eigen hartslagen leven Elkaar ontdekken op de traagst mogelijke tast Door schemerlicht omgeven Ons de kans geven om ons samenzijn Als het onze en enkel het onze te beleven. Het hele dorp is uitgelopen Tot aan ons bed Dat nu leeg is Want wij zijn De nacht voordien Al weggeslopen Naar gisteren Toen niemand nog Van ons wist want wij Waren nog ongeboren, zij Staan daar nu Zo plompverloren Te kijken naar het onbeslapen bed Waar hen de ongemakkelijke stilte bekruipt Die hen zichzelfwaarts doet keren Tot zij weer naar huis gaan  Naar de dorpen  Waar wij gewoond en bewoond we...

Rite de passage

We zijn elkaar Nu eindelijk Uit de weg gegaan En zie aan Het blikveld verruimd Glooit en ontplooit zich Ontdooit en vermooit zich Als nooit tevoren Het gele koren dat opschiet Naast velden met stoppels Vers geschoren Ontvouwt zich het lot Dat ons beschoren is We zien het aan En horen achter ons Elkaar tegemoet gaan Wat ons toekomt Wat ons aanstaande is Voor we ver En verdergaan. We zijn elkaar Eindelijk voorbij gegaan Met de handen gestrekt Gepijnigd van het strelen en slaan Het wrijven en wringen Het voelen en woelen en binnenste buiten keren Het wacht eens ho maar kom maar Het lief en liever en leed Het minnen en mutileren Het wijzen wenken lief Hebben en weer af Weren Af en aan en op De tast Verblind door het licht Uit elkaars beschaduwde aangezicht getreden Reiken we de hand naar een ver verleden Dat nog eerst moet verlijden tot heden Tot op heden De lang vermeden Tegenwoordige tijd We zijn nu elk Ons eigen één Nu het gebaar van afkeer Naar omkeer gekeerd is Spiegels niet langer de...

Mijn hart is herstellende

Mijn hart is herstellende Het knokt zich een weg en weer Het beukt en beult en bonkt En gaat tekeer Mocht het kunnen het zou brullen Als een beer in een klem Ik wil hier weg Ik wil niet meer Maar minder pijn Ik wil gewoon een hart zijn Dat pompt het bloed en zuurstof Waar het gaan kan En wat niet meer dient De buitenlucht in jaagt En dat aan kan Wat het wordt gevraagd Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Ik voel hoe het zich een weg zoekt Naar een terug dat niet van gisteren is Ook niet van vandaag maar misschien wel Van morgen Een terug zoals in waar je thuis hoort En ik zie je graag Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Traag en gestaag als een antwoord Dat zo langzaam uitgesproken wordt Dat het met geen mensenleven te horen valt Niet te begrijpen in tegenstelling Tot de vraag Komt het nog goed? Ben ik hier op mijn plaats? Doe ik wat ik kan? Of Is wat ik kan ook wat ik moet? Doe ik ertoe? Wat is het dat ertoe doet? Mijn hart is herstellende. Mijn hart is ...

Kuiltje

En net Net toen je ophield met zoeken Toen vond je 't Daar Een plekje Net groot genoeg Voor je hoofd, je tranen, Een kind dat gewoon Na jaren van volwassen Weer eens thuis wou komen Een gebaar  Van kom nu maar En waar je met heel je hart Nog eens Jezelf zou kunnen zijn Zowaar En jij die daar Als een hazelmuis Voor 't eerst sinds lang Jezelf omarmt Omwarmd de ogen sluit En met diepe zuchten Op adem komt Te veel lentes, zomers Zonder herfst en Winterrust Jaar in Jaar uit Jij Bent nu hier Welkom, in het kuiltje Dat al een leven lang Voor je klaar ligt Daar Geborgen Tussen mijn schouder  Hoofd, hals, borst en hart en wang Streel ik je  Dek ik je langzaam toe met één hand Terwijl mijn hart je wiegt Mijn blik het zonlicht in je haar schikt En ik de mooiste stofjes Zachtjes bij elkaar vang Wees niet bang Ik blijf Bij jou Nu, voor even, Blijf ik bij jou En als het mag Dan blijf ik bij jou Het liefst nog Mijn hele leven Mijn hele leven lang. https://www.privaatbeheer.be/infoloket/...