Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Posts uit maart, 2021 tonen

Fatum

De hand die op zijn schouder ligt En hem dicht tegen haar aan trekt Verstrakt zijn greep wanneer hij zich weer opricht En aanstalten maakt om ook maar iets te doen Wat lijkt op een vertrek Duwt zijn schouder naar de grond Houdt zo zijn hoofd gebogen Uit bescherming voor wat zij zegt Dat komt Zo wordt hem voor-gelogen Ze hem als een volleerde lorelei Het zich belet Op wat elders Dat hem oprecht zou kunnen bekoren Want nooit was de hand bedoeld Om hem op weg te helpen, noch Om hem bij te staan, louter Om zelf zijn weg te vinden Haar tot bekommernis vermomde greep Was een wanhopig aanklampen Van een drenkeling Aan een rots of voorbij drijvend vlot Die — zo liet haar hand verstaan — Haar redding zou brengen Daar had hij geen twijfelen aan Hij was haar lotsbestemming Zij zogenaamd Zijn medicijn Voor een kwaal wiens pijn Ze kost wat kost wilde ontvluchten Om niet met haar angst alleen te zijn. En dus kwam het moment Dat ook hij verzonk In haar oceaan van met weldoenerij gemaskeerde waan Denk...

Lieverling

Naast troost helpt poëzie Misschien wel het meest Wanneer verdriet zich niet langer laat verdringen En in buiten oorbereikbaare toonaarden De dingen uit hun dagelijksheid Telkens weer weet los te zingen Tot je dag na dag een ademtocht tekort komt Om zelfs het kleinste gebaar Dat op gewoon lijkt aan te vatten Het opkomende water In het afvoerputje terug te dringen En het licht te dwingen Om te wachten met het strelen Van je geliefkoosde katten Tot jij klaar bent om te spinnen Binnen Is stilaan zo buitenmaats Wat eens voorspoedig was Is nu tegendraads Alles bestaat tegenwoordig Uit tweelingen Met één van toen en één vandaag En daartussen jij Die zweeft Alsof je niet bestaat Geeneenling Jij weet met jezelf geen raad Net omdat jij niet uit twee Geen één van toen noch één van vandaag Geen antwoord los van de vraag bestaat Wie op twee plaatsen tegelijk moet zijn Komt steevast overal Te laat Tot poëzie Tot poëzie Opdaagt En zelfs de gekste dingen Weer samen brengt tot zinnen Die moed geven om...

Amor amorf

Ik ben een kever Maar dan omgekeerd Met mijn pantser diep vanbinnen En mijn zenuwstelsel Naar buiten gekeerd. Zo houden beiden De rest van mijn lichaam Gevangen terwijl alles me meer Dan me lief is Deert. Ik ben een mens Maar dan binnenstebuiten gekeerd Met een lijf dat mijn huid omarmt Die diep van binnen ligt gedrapeerd Over mijn los gezongen beenderen Zo houdt wat noodwendig uitwendig is Mij overeind, ogenschijnlijk beheerst, Maar meer krampachtig dan machtig Terwijl het leven Me ongenadig van buiten verteert. Ik ben een rots Maar dan vanbinnen verweerd Door koude adem, schurende hartstocht En een niet aflatende storm Van striemende indrukken Gegroefd, gegriefd, gegraveerd Poreus tot op het bot Niet wetend waarheen Met alle kracht Gebald, geprangd In een ongemakkelijk evenwicht Tussen exploderen en imploderen Gemanoeuvreerd. Ik ben een rivier Als een zee Om het land gemeerd Met aan de buitenkant Haar binnenland En aan de binnenkant Het zelfde land maar dan buitenlandig Ben ik geweer...

Geboortedorp

Het hele dorp is uitgelopen Ons bed is een grensgebied geworden Tussen generaties en voorbije verhalen Waarvan de hoofdrolspelers hier Nu samentroepen Het is een gekrakeel van jewelste Als boven de wieg van een boorling Die met grote ogen, bonzend hart En tuitende oren moet aanhoren Wat nog met geen zintuig te begrijpen valt Dan liever nog wat langer ongeboren In het vruchtwater zweven Enkel op het ritme van onze eigen hartslagen leven Elkaar ontdekken op de traagst mogelijke tast Door schemerlicht omgeven Ons de kans geven om ons samenzijn Als het onze en enkel het onze te beleven. Het hele dorp is uitgelopen Tot aan ons bed Dat nu leeg is Want wij zijn De nacht voordien Al weggeslopen Naar gisteren Toen niemand nog Van ons wist want wij Waren nog ongeboren, zij Staan daar nu Zo plompverloren Te kijken naar het onbeslapen bed Waar hen de ongemakkelijke stilte bekruipt Die hen zichzelfwaarts doet keren Tot zij weer naar huis gaan  Naar de dorpen  Waar wij gewoond en bewoond we...

Rite de passage

We zijn elkaar Nu eindelijk Uit de weg gegaan En zie aan Het blikveld verruimd Glooit en ontplooit zich Ontdooit en vermooit zich Als nooit tevoren Het gele koren dat opschiet Naast velden met stoppels Vers geschoren Ontvouwt zich het lot Dat ons beschoren is We zien het aan En horen achter ons Elkaar tegemoet gaan Wat ons toekomt Wat ons aanstaande is Voor we ver En verdergaan. We zijn elkaar Eindelijk voorbij gegaan Met de handen gestrekt Gepijnigd van het strelen en slaan Het wrijven en wringen Het voelen en woelen en binnenste buiten keren Het wacht eens ho maar kom maar Het lief en liever en leed Het minnen en mutileren Het wijzen wenken lief Hebben en weer af Weren Af en aan en op De tast Verblind door het licht Uit elkaars beschaduwde aangezicht getreden Reiken we de hand naar een ver verleden Dat nog eerst moet verlijden tot heden Tot op heden De lang vermeden Tegenwoordige tijd We zijn nu elk Ons eigen één Nu het gebaar van afkeer Naar omkeer gekeerd is Spiegels niet langer de...

Mijn hart is herstellende

Mijn hart is herstellende Het knokt zich een weg en weer Het beukt en beult en bonkt En gaat tekeer Mocht het kunnen het zou brullen Als een beer in een klem Ik wil hier weg Ik wil niet meer Maar minder pijn Ik wil gewoon een hart zijn Dat pompt het bloed en zuurstof Waar het gaan kan En wat niet meer dient De buitenlucht in jaagt En dat aan kan Wat het wordt gevraagd Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Ik voel hoe het zich een weg zoekt Naar een terug dat niet van gisteren is Ook niet van vandaag maar misschien wel Van morgen Een terug zoals in waar je thuis hoort En ik zie je graag Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Traag en gestaag als een antwoord Dat zo langzaam uitgesproken wordt Dat het met geen mensenleven te horen valt Niet te begrijpen in tegenstelling Tot de vraag Komt het nog goed? Ben ik hier op mijn plaats? Doe ik wat ik kan? Of Is wat ik kan ook wat ik moet? Doe ik ertoe? Wat is het dat ertoe doet? Mijn hart is herstellende. Mijn hart is ...

Kuiltje

En net Net toen je ophield met zoeken Toen vond je 't Daar Een plekje Net groot genoeg Voor je hoofd, je tranen, Een kind dat gewoon Na jaren van volwassen Weer eens thuis wou komen Een gebaar  Van kom nu maar En waar je met heel je hart Nog eens Jezelf zou kunnen zijn Zowaar En jij die daar Als een hazelmuis Voor 't eerst sinds lang Jezelf omarmt Omwarmd de ogen sluit En met diepe zuchten Op adem komt Te veel lentes, zomers Zonder herfst en Winterrust Jaar in Jaar uit Jij Bent nu hier Welkom, in het kuiltje Dat al een leven lang Voor je klaar ligt Daar Geborgen Tussen mijn schouder  Hoofd, hals, borst en hart en wang Streel ik je  Dek ik je langzaam toe met één hand Terwijl mijn hart je wiegt Mijn blik het zonlicht in je haar schikt En ik de mooiste stofjes Zachtjes bij elkaar vang Wees niet bang Ik blijf Bij jou Nu, voor even, Blijf ik bij jou En als het mag Dan blijf ik bij jou Het liefst nog Mijn hele leven Mijn hele leven lang. https://www.privaatbeheer.be/infoloket/...

Onbepaald tegenwoordige tijd

Wat nog zal, zal wellicht, Of even goed Nog niet, misschien wel Nooit, terwijl ooit ergens Ligt te verstoffen en wij blijven sloffen Van daags, naar daaglijks, alsof 't Nooit daagt, laat staan verdaagt Dat we iets ondraaglijks doen En zodoende doende Doen wij verder voort Pendelen bestemmingsloos Zoals het hoort Vertrekkensklaar en aankomstgretig Doorheen dit stilaan thuisloze oord Dat ooit iets had van hier en daar Van ergens, nergens, ooit en nooit voorwaar Van nu en straks, toen, dan, meteen Van heen en weer, en weer terug, Van wat niet is en nog kan komen Van gaat nu allen heen In vrede, of in auto's, met de fiets, de step Het openbaar vervoer Tesamen of alleen God mag het weten waar Gaat het met ons heen We draaien rondjes Om onze as Tot spijt van wie 't benijd Leven we In een onbepaald allom tegenwoordige tijd

Thuis

Als het stormt buiten, wil ik met jou achter het venster staan kijken.   Als het regent wil ik naast je liggen luisteren naar het geroffel van de druppels op het dakvenster.   Als het sneeuwt wil ik mijn handen in jouw jaszakken warmen of die van jou in de mijne.   Als de zon brandt in de zomer wil ik naast je liggen in het gras wanneer we onze blikken laten meevoeren door de zwaluwen die als volleerde acrobaten door de lucht dartelen.   Het is heerlijk thuiskomen bij je, al weet ik dat er nog een fijner thuiskomen wacht wanneer ik niet meer bang hoef te zijn om te verdwalen van mezelf.

Entre mi-temps

En als je daar dan bent Je niets of niemand nog herkent Je niet meer weet Wat onder boven Links of rechts van jou bestaat Als het niets meer uitmaakt Of je nu blijft hangen Je je laat drijven, Of zinkt of verder zwemt Er geen sprake meer is Van ergens of waarheen Van aankomen of verdwalen Van straks, vroeger, nu en later of meteen Dan, net dan wanneer noch moeten noch mogen nog van tel zijn Dan daar, ja, net daar waar verdwalen en terecht zijn  — perfect inwisselbaar Het er niet meer toe doet Wat van betekenis is En wat niet Net dan en daar Gebeurt het Noch wel Noch niet

Door het spiegelglas

En achter haar, over haar schouders Kijken ze mee, de ouders Die ze wilde Maar nooit zo heeft gehad Ik zie ze staan hun handen Reiken naar haar schouders Vingers graaien maaien lucht Geen huid, geen hart, geen zucht Die houvast Houd me vast Geeft Die de tijd terug geeft Om van te houden Zo staan ze daar, Zij en hen, zij Aan zij Met mij erbij Tegen wie je zegt Wat niet voor mij Maar wel voor hen Het duurde even Voor ik wist Dat in jouw spiegel Voor mij Geen plaats was Ga weg blijf bij mij Zorg voor mij laat mij Zie mij hoor mij voel mij Niet jij waarom jij Wie ben jij bij mij Word volwassen Knap op me af Blijf hier ga weg Bij mij En niemand die daar blij Van werd ik ziek jij ziek wij Ziek zij Aan zij Tot ik hen zag en verder keek Dan jij Ik eindelijk van wijken en ontwijken wist Je woorden, je woede, je verdriet, je wanhoop Door me heen liet gaan, want Niet voor mij Nu kijk ik in mijn eigen spiegel Alleen Naar mezelf en wat er overblijft Van mijn ouders Uit een leven zo voorbij En hoop ...

Als het masker valt

Je bent een narcist Zei je Tot ik het geloofde Elke keer Ik in de spiegel keek En ik elke schim Van liefde Voor mezelf Verwarde Met afkeer Hoe vaak een ander Ook mij Van het tegenbeeld Probeerde te overtuigen Ik was diegene Die jij mij Keer op keer liet zien Tot op een dag Ik een stap opzij deed En jij hetzelfde zei Tegen iemand In de spiegel Die niet ik Maar jouw gelijke bleek Ik mezelf voor 't eerst Weer in de armen sloot En mijn eigen Weg wandelde Zonder ommezien. https://vimeo.com/521490278

Ik en jij en wij

Ik en jij en wij Kennen elkaar nog niet Noch van haar Noch van pluimen Noch van eerste liefdes Of het laatste verdriet Dat ons bracht waar nu Hier is en hier nu Iets is wat erg lijkt Op wat ik en jij en wij Delen, gemeen, minzaam Elk van ons en van ons elk gelijk. Ik en jij en wij Kunnen elkaar nog niet Kennen, weten wat te doen Als misverstanden en juistvoelen Elkaar voor de voeten lopen De harten hun plaats Niet vinden, vingers weg wijzen Naar waar wij onmogelijk nog Ik en jij en wij kunnen zijn Elk van ons en van ons Elk gelijk Ik en jij en wij Doen ertoe, erlangs, erover, erin, erop, eronder, erom Heen, en terug Ergens, tussen het alleen Van eenzaam naar gemeenzaam Van dansen uit de maat, tot buitenmaats Het ritme van ons en van ons alleen We houden voetje voor voetje bij stuk Tot niets ons nog drijft Uiteen Uit een Tot wij en jij en ik elk Van ons en van ons elk Gelijk zijn en ieder Ieder Één.

Waar wachten we nog op

Waar wachten we nog op De appel die de val Nog voor de steel breekt De vogel op de richel Nog voor hij de vleugels strekt Het zaad in de grond Nog voor de kiem de kop op steekt De ster die brandt Nog voor ze zich in zichzelf keert En een laatste keer alles geeft De druppels die alsmaar hoger gaan Nog voor ze samen neerslaan De spanning die zich ophoopt Nog voor de bliksem ontbrandt De glazen in de kast Nog voor ze klinken Een tong die nog rustig in de mond Nog lang voor ze vreemde lippen streelt Vingers, een hand, op een stoel Nog voor ze op verkenning gaan Een bed, beslapen Nog lang voor het gedeeld wordt En Ik en jij Nog voor wij Daar Daar wachten wij nog op.

Spijt

Toe, Heb geen spijt, lieverd, Het was de tijd, Die gaf en nam Wat ons toe kwam komen En ons ontkwam Wat wij met beide handen Ter ganser harte namen Balanceerden tussen de kussen En de tippen van onze tong Wat onze lippen streelde Bespeelde En ons ontdeelde Bemeerde niet beminde Verblijde en verblindde Tot het leven ons de adem benam En er een einde kwam Aan wat we met geen begin Hadden kunnen ontglippen. Toe, Heb geen spijt. Het was de tijd, lieverd Die gaf en nam Wat ons toe kwam komen En ons ontkwam.

De taal waarin het nieuws ons te beurt valt

De taal waarin het nieuws ons te beurt valt, Waarin de wetenschap zich bedrijft, Waarin wetten ons een keurslijf aanmeten, En onze vrijheid beschermen, Waarin de mode van de tijd ons inlijft, Waarin de politiek keuvelt en kijft, Waarin de één de winst binnenrijft, En de ander verder naar de armoede afdrijft, Daarin ontbreekt het aan verbeelding Die grenzen overschrijdt en verbindt Wat onverbreekbaar is en toch gebarsten En gebroken want verstijfd Van angst. Voor ieder die zich met de wereld Geen weet blijft Is er iemand die schrijft Een taal die verdrijft De wanhoop die afkerig staat Voor alles wat neigt Naar tederheid. Het is tijd Voor poëzie Die verblijdt De blik verwijdt Het hart omwarmt En lijden omleidt Die nijd bestrijdt met genegenheid En die ons laat heropleven Met de grootst mogelijke besmettelijkheid.

Harnas

Wat ooit begon Met liefdevol omarmen Heeft zich gehard tot pantser, hier Komt geen mens meer in. Dan komt de dag Dat ik je een hand wil reiken Je aan wil raken, zonder tegenzin Kan ik niet langer voelen Of het jouw huid is Of de mijne Zo hard Zo kil Zo zonder leven Binnenin. Geschreven nav dit verhaal van Peter Verheyen over zijn cliënt Charlotte: https://www.facebook.com/peter.verheyen/posts/10225552331624189

Reflex

Waar kijk je naar Als je in mijn ogen kijkt? Wat hoop je er te zien? Wat anders zoekt jouw binnenkant zich dan een weg naar wat vertrouwd voelt een drempel waar je zonder struikelen over gaat een voordeur die je binnenlaat een lichtknop die daar is waar je hand blindelings naartoe gaat een kapstok waar je jas op neerzeilt terwijl je al de trap op gaat de geur van eten dat je smaakt nog voor je het met je lippen beroert een kus wanneer de keukendeur open gaat lippen die je kent nog voor je voelt en ziet en hoort en ruikt en proeft wie daar staat een avond waarvan je al weet hoe die verder gaat nog voor je 's ochtends de deur uit gaat op straat een wereld waar je thuis hoort waar je ook heen gaat? Waar kijk je naar Als je in mijn ogen kijkt? Wat hoop je er te zien Behalve het huis Waarin je nu al woont Zo levenslang En waar ik af en toe Langs mag komen Om te zien Wat het betekent Houden van En graag gezien?

En iemand die dat ziet

 En iemand die dat ziet. Want wat is het Als iemand het niet ziet, het Met haar blik omrandt Wat niet aan het verstand Te brengen is Waar dan Is het water Waar, het land De Wolken Het riet Als het hen ontbreekt Aan iemand Die hen ziet Hen een blik gunt Wat licht Dat raakt Dat hen tot hen en jou Tot jou maakt Tot iemand Tot iemand Tot iemand Die hen ziet. (Geschreven bij foto's van Eva Meijer , iemand die op een bijzondere manier hoort, voelt, ziet.)

Palimpsest

Op een huid van perkament Tekent zich het sterven Als sporen van een leven Dat zich schaamt om wat het is Elke ingehouden adem Gesmoord uit angst om te bederven Gedempt gestold verdriet Dat zorgt voor het vernis Dat licht niet laat Doordringen  Geen zacht woord De kleuren los laat zingen Geen aai geen vinger Geen warm woord Dat je zinnen Vanbinnen Laat beginnen Gloeien Bloeien Ontboeien ont Kiemen Is vergaan is  Verder gaan Is verwoesten en woest bestaan Is woede als onweer Dat mag overgaan Nadat de wind gaat liggen Je wangen streelt Je wenkt Van kom 't is tijd Om op te staan.