Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Magnolia

Wie hen kent Die weet: magnoliabloessems  Laten zich niet zomaar plukken Liever nog vallen ze achteloos Uit elkaar Wegwerpgebaar Dan in volle pracht Te blijven bloeien Nee, dan maar liever dood Gewoon van elke vorm Van bloem ontdaan Want zo zonder boom Geen betekenis meer Geen reden meer Van bestaan

Camera Obscura

Op oude foto's Zijn de straten (bijna) altijd leeg Zijn mensen vaag Een veeg, een zucht Geruchtjes leven In het licht Van wat neigt naar eeuwig Ternauwernood in beeld Voor even In een nieuwe film Zie ik vandaag Bomen kiemen, groeien Bloemen op- en openbloeien Loof dat ontvouwt en afsterft In een oogwenk Weer vergaan Naast de stam Van een gevallen woudreus Die daar honderden jaren Als het ware roerloos En vele levens lang Niets anders heeft gedaan.

Scènes uit het uitdoofhuis

Zij was er al Aan de overkant Op het balkon Aan een tafeltje In de avondzon Haar kamerjas Over haar nachtjapon Zat ze Voor zich uit te staren Hield in haar ene hand Een krant met nieuws Uit een steeds Vreemder land Haar andere hand Tastend Alsof het nog kon Zijn hand,  Aan de andere kant Open De handpalm naar boven De vingers gebarend Kom, liefste, kom.

Dura lux, sed lux

Hetzelfde licht Dat jou en mij Aanraakt En van de weeromstuit Rechtsomkeer maakt Doet jou in donkerbruin En mij in heel lichtbruin Verschijnen De kleuren Van onze huid En ons haar Zouden zo verdwijnen Wanneer het licht Waarin wij zwemmen Zou opdrogen We zouden Zwart / wit Naar adem happen En op de tast Alsnog weer verder gaan De ogen van onze kinderen Zouden van hun werk ontdaan Ophouden te bestaan Verbeelding zou vervagen En stilaan in verklanking Of iets anders zinneprikkelend Overgaan. We zouden merken dat er Andere onderscheiden bestaan Die ons Al die tijd Waren ontgaan Mensen met een andere klankgeur Huidsmaak Of ademtoon Of verdwijningsvorm Het zou zo bestaan En we zouden heel even maar De wanhoop nabij zijn Omdat we niet langer weten Welk verschil ertoe doet En welk niet We zouden op goed geluk En soms ongelukkig Maar ten allen tijde blind Geloven Op de tast Ontdekken welke weg we moeten gaan Wie of wat te vertrouwen En te weten Wat het betekent Om te bestaan.

Zwaartekracht

Lang voor we boven water kwamen Was alles donker. En omdat licht en lucht ons vreemd waren Was alles voelen. Van vinnen, vingers of tenen Was nog geen sprake. We werden, zelf Louter onbegrip, volkomen Door de wereld begrepen. We waren heel en al Sprakeloos. Met het opklaren van de hemel En het klaren van het water Begon het happen Naar adem. We leerden wat verblind zijn was En keerden na jaren het diepe Duister de rug toe. Zeiden de vissen vaarwel Veroverden het land. Leerden van vechten En vluchten en dansen En vrijen en eenzaamheid. We legden wegen aan En brachten in kaart Hoe verdwaald We in wezen Wel niet waren. We achten ons ver Verwijderd van de diepzee Daar op de bodem Van een onbestemd heelal. We gaven wat naamloos was Een naam, en met die naam Betekenis, in weerwil van De stilte die deed pijn Aan onze oren. Het liefst van al wilden we Dit alles ontstijgen Met goden, geloof, genot, gekte En genialiteit, het zou ons lukken Daar te komen, Het had iets voorbestemds Althans, zo had...

De dood van de tragedie

Over gewone dingen Valt met zekerheid Niets bijzonders te vertellen. De hele inboedel van een huis Is het noemen niet waard, noch Haar tred of gewaad, de tooi Van haar haar, een uitdrukking Op haar gelaat, een enkel gebaar Niets van wat ze zegt Tenzij (En enkel dan) Wanneer Al is het maar Een fractie Vermoeden doet Dat wat zich aandient Net iets te hard Zijn best doet Om op het normale te lijken. Dan, dan heeft hij Werkelijk iets Om naar om te kijken. De gek Is het geluk Van de schrijver.

Ampersand

Wie is het Die je ziet Als je mij In de ogen kijkt? En wie is het Die je aankijkt? Wie spreekt Tot wie Als je mij toevertrouwt Wat nog niemand Van jou weet? Wie gaat Met wie Z'n eigen weg Wie neemt wie Mee en wie Laat wie achter Wie weet En wie vergeet Wie blijft Ten allen tijde Zichzelf Wie is het Die de stilte breekt?

QED

Uit de lijnen de tekening Uit de penseelstreken het schilderij Uit de lichtvlakken de foto Uit de vormen de vaas van klei Uit de muren het huis Uit de golven de zee Uit de wind de aai Uit de adem de zucht Uit het wel het wee Uit de woorden het verhaal Uit het proeven de kus Uit de leegte de lucht Uit het vlieden de vlucht Uit geroezemoes het gerucht Uit de weelde het weinige Uit het beginnen het eindige Uit het verbeelde het zijnde Uit het wazige het welomlijnde Uit elk van ons  Een ik en een jij  Die samen iets weg hebben Van wat bij toeval li jkt Op wij.