Lang voor we boven water kwamen Was alles donker. En omdat licht en lucht ons vreemd waren Was alles voelen. Van vinnen, vingers of tenen Was nog geen sprake. We werden, zelf Louter onbegrip, volkomen Door de wereld begrepen. We waren heel en al Sprakeloos. Met het opklaren van de hemel En het klaren van het water Begon het happen Naar adem. We leerden wat verblind zijn was En keerden na jaren het diepe Duister de rug toe. Zeiden de vissen vaarwel Veroverden het land. Leerden van vechten En vluchten en dansen En vrijen en eenzaamheid. We legden wegen aan En brachten in kaart Hoe verdwaald We in wezen Wel niet waren. We achten ons ver Verwijderd van de diepzee Daar op de bodem Van een onbestemd heelal. We gaven wat naamloos was Een naam, en met die naam Betekenis, in weerwil van De stilte die deed pijn Aan onze oren. Het liefst van al wilden we Dit alles ontstijgen Met goden, geloof, genot, gekte En genialiteit, het zou ons lukken Daar te komen, Het had iets voorbestemds Althans, zo had...
Hannes Couvreur