Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Zwaartekracht

Lang voor we boven water kwamen Was alles donker. En omdat licht en lucht ons vreemd waren Was alles voelen. Van vinnen, vingers of tenen Was nog geen sprake. We werden, zelf Louter onbegrip, volkomen Door de wereld begrepen. We waren heel en al Sprakeloos. Met het opklaren van de hemel En het klaren van het water Begon het happen Naar adem. We leerden wat verblind zijn was En keerden na jaren het diepe Duister de rug toe. Zeiden de vissen vaarwel Veroverden het land. Leerden van vechten En vluchten en dansen En vrijen en eenzaamheid. We legden wegen aan En brachten in kaart Hoe verdwaald We in wezen Wel niet waren. We achten ons ver Verwijderd van de diepzee Daar op de bodem Van een onbestemd heelal. We gaven wat naamloos was Een naam, en met die naam Betekenis, in weerwil van De stilte die deed pijn Aan onze oren. Het liefst van al wilden we Dit alles ontstijgen Met goden, geloof, genot, gekte En genialiteit, het zou ons lukken Daar te komen, Het had iets voorbestemds Althans, zo had...

De dood van de tragedie

Over gewone dingen Valt met zekerheid Niets bijzonders te vertellen. De hele inboedel van een huis Is het noemen niet waard, noch Haar tred of gewaad, de tooi Van haar haar, een uitdrukking Op haar gelaat, een enkel gebaar Niets van wat ze zegt Tenzij (En enkel dan) Wanneer Al is het maar Een fractie Vermoeden doet Dat wat zich aandient Net iets te hard Zijn best doet Om op het normale te lijken. Dan, dan heeft hij Werkelijk iets Om naar om te kijken. De gek Is het geluk Van de schrijver.

Ampersand

Wie is het Die je ziet Als je mij In de ogen kijkt? En wie is het Die je aankijkt? Wie spreekt Tot wie Als je mij toevertrouwt Wat nog niemand Van jou weet? Wie gaat Met wie Z'n eigen weg Wie neemt wie Mee en wie Laat wie achter Wie weet En wie vergeet Wie blijft Ten allen tijde Zichzelf Wie is het Die de stilte breekt?

QED

Uit de lijnen de tekening Uit de penseelstreken het schilderij Uit de lichtvlakken de foto Uit de vormen de vaas van klei Uit de muren het huis Uit de golven de zee Uit de wind de aai Uit de adem de zucht Uit het wel het wee Uit de woorden het verhaal Uit het proeven de kus Uit de leegte de lucht Uit het vlieden de vlucht Uit geroezemoes het gerucht Uit de weelde het weinige Uit het beginnen het eindige Uit het verbeelde het zijnde Uit het wazige het welomlijnde Uit elk van ons  Een ik en een jij  Die samen iets weg hebben Van wat bij toeval li jkt Op wij.

Land van tegenlicht

Tussen het glas en het zilver Aan de achterwand Huist een land Van tegenlicht Louter zichtbaar Voor wie voorbij Zichzelf kan kijken Naar wat verschilt Tussen aanschijn En gezicht. Hier geen diepgang Noch demonen Verwar het spiegelbeeld Niet met zelfinzicht Noem inkijk Niet tot inkeer komen Want niets Dat verhelderender is Dan de oppervlakkigheid Hier in dit land Van tegenlicht.

Wezenlijk wendbaar

We zijn van slag Om slinger scheef en schots Beduimeld van stof tot steen Muren van water En zeeën van rots Exoten van nu Vluchtelingen van later Vervallen, steeds weer En heen Alleenzaam tot op het bot Genoegzaam nooit Meteen terstondig Bedacht misschien En bemind enkel En ver van eenvoudig Eén We dansen als quarks  In het licht van de zon En wanen ons werkelijk Wendbaar Wezenlijk On en echt Geenéén.

Inconsequentie

Dat we van botten zeggen dat ze breken En van huid dat ze scheurt Heeft met de traagheid te maken Waarmee de overgang van het ene Naar het ene en het andere gebeurt. Zodoende gebeurt het zelden Dat stof of water breken, Een dijk of glas, of het verzet van een moedig mens scheurt. Waarom dan toch van hartverscheurend spreken, Als de een het hart van de ander breekt En haar geen blijk van liefde meer waardig keurt.

Anima aeterna

De onderkant van een stoeptegel De naad van een boek aan de binnenkant van de band, de binnenband In het wiel van de fiets waarmee je rijdt over de dijk naast het strand, het zand Onder de golfbreker, voorlopig nog De onbeschadigde wand aan de linkerkamer van je hart, een rand  Die per toeval in het midden van een vlak is aanbeland De potloodpunt, voor hoe lang nog verborgen, in het houten hulsje in je hand Het kant, dat edele verband, dat lang voordien Geklost, alles verwant,  En pas opnieuw verschijnt  Wanneer wat is ternauwernood vervliegt verdwijnt verdampt.

Bruisend water

Als het water me niet lekker zit Vroeg de vis zich af Waar moet ik dan heen? Want van water Hoor je niet te weten Dat het je omgeeft En wie om water geeft Zoals ik Die wordt al snel gemeden Want plots vatbaar voor verzinsels Als verdrinken en verdriet En tranen met tuiten toe maar Waar moet dat heen De lucht, het land Wel neen Daar is geen leven mogelijk Ondenkbaar Als vis van water weten Maakt het onmogelijk Te vergeten Dat er geen reden is Voor dit bestaan Als mens Kan ik dit weten Ook al ben ik al lang vergeten Waarom ik ooit vanuit het water Aan land ben gegaan. Het is precies alsof Je zou weten waarom Iemand ooit Water met gaatjes Heeft doen ontstaan.