Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Bruisend water

Als het water me niet lekker zit Vroeg de vis zich af Waar moet ik dan heen? Want van water Hoor je niet te weten Dat het je omgeeft En wie om water geeft Zoals ik Die wordt al snel gemeden Want plots vatbaar voor verzinsels Als verdrinken en verdriet En tranen met tuiten toe maar Waar moet dat heen De lucht, het land Wel neen Daar is geen leven mogelijk Ondenkbaar Als vis van water weten Maakt het onmogelijk Te vergeten Dat er geen reden is Voor dit bestaan Als mens Kan ik dit weten Ook al ben ik al lang vergeten Waarom ik ooit vanuit het water Aan land ben gegaan. Het is precies alsof Je zou weten waarom Iemand ooit Water met gaatjes Heeft doen ontstaan.

Dura lux, sed lux

Ze is het op één na oudste Wie weet wel het oudste Wat er is, ze is Niet in leeftijd te vatten Want leven en sterven Zijn haar volkomen vreemd Ook al zijn ze aan haar ontsproten Verwant Toch is niets haar zo ontheemd Ze gaat waar wij nooit zullen komen Wij hebben daar simpelweg De tijd niet voor Haar tijd niet voor Zij is ons weten Én ons vergeten Zij geeft aan alles geweten Als in "het is geschied" Als het niet door haar Beschreven is Bestaat het ons niet Zij heeft een paar profeten Wiens ogen nooit anders hebben geweten En toch, toch is er ook buiten hun Aan de wereld onttrokken zicht Een glimp van haar  Dat hen doortrekt Hun verbeelding tot leven Hun leven tot leven wekt Er is sindsooit geen houden aan Noch hebben, ook al heeft men geprobeerd Hebben wetenschappers, kunstenaars Haar uitvoerig bestudeerd Hebben we in tal van vormen Een glimp van haar Gerecreëerd, zij is van geen omvang En voor geen vorm te vangen Zij vormt, wat men ook beweert Of eigenhandig boetseert Zij is...

Poppenspel

Wie Wie heeft hier de touwtjes in handen, wie Bespeelt hier wie En wie wordt bespeeld Laat zich bespelen De wil ontstelen Wie is hier nu wat Van wie, wie neemt het heft In eigen handen Wie deelt hier de lakens uit Wie is hier aan wiens handen En voeten gebonden Wie weet zich met zichzelf geen blijf Wie is geen baas over eigen lijf En leden wie lijdt, wie leidt Wie wacht, wie wikt, wie weegt En wie is na afloop Echt overleden Wie zal als straks het doek valt In de kist belanden Wie is de pop die in het plaatje past En wie de meester van zijn eigen lot Wie vertolkt en wie vertelt Wie verstomt stemt in met alles  Wat de ander zegt Wie bepaalt wat telt En niet telt, wie spelt Wie de les, wie zwijgt Wanneer de ander zwijgt Wie spreekt met eigen stem Wie breekt van tijd tot tijd Wie heeft wie getemd Wie heeft nooit of nimmer spijt Wie maakt geen onderscheid Tussen heden, verleden of toekomende tijd Wie is boven, wie beneden Wie houdt het in de hand Wie bedenkt en wie belichaamt Wie laat...

Dondermars

Het regent Het valt De wolken zwaar Kijk maar Hoe ze zich voortslepen Van hier Naar daar Teneer geslagen reuzen Donderend langs de horizon Met af en toe een blik Schichtig een in licht Gevatte vloek De grond in borend Met veel misbaar.

Rusten in beweging

Zoals het water in de golf De meeuw in de storm De nerf in het blad In de voorjaarswind De kleine kangoeroe In moeders buidel Terwijl ze gezwind Over de graslanden springt Het kleefkruid in de vacht Van de kat Die achter de veldmuis sprint De wiegende wilg in de grond Die razendsnel rond De zon spint De ijsvogel die wacht Terwijl het heelal In volle kracht Verder expandeert Terwijl een bloem een tegel verlegt Een schimmel, Samen met een alg, Rots tot aarde verteert Wat hard is vertedert Tot stof dat voedt En groeit en bloeit En beweegt en verstart Weer van steen Tot stof wederkeert Zoals water in de golf De meeuw in de storm De nerf in het blad In de voorjaarswind.

Me-nietje

Net zomin Als je de rivier kent Hoe vaak je haar ook over zwemt Of het pad Dat je iedere dag Opnieuw met haar verkent Het verhaal Dat ze jou Dat je tot vervelens toe vertelt De koffie Die je elke ochtend Voor haar schenkt De frons op haar gezicht Wanneer ze bij zichzelf denkt Wie is die man De me wenkt Zo bestaat er ook geen gewoonte Die ooit volkomen went.

Hoogteverschil

Hier Is de lucht ijler Weegt elke inspanning Twee keer zwaarder Kan ik met elke ademteug Half zoveel Dan jij Vandaar dat wij Nooit uitgepraat raken Wij nergens samen Aankomen, ik te traag Jij te snel of ik al daar Waar jij nog onderweg Elkaar zo voorbij Als jij nog maar net begonnen bent Ben ik het einde al nabij Waar we ook gaan Hier Is de lucht altijd ijler Voor mij Valt slechts  Half zoveel te halen Ik word moe Van al dat wegen Wat kan er nog van af Wat mag er nog bij Wie is de moeite waard Om bij te houden Of om te laten gaan Wie geef ik op Om net genoeg  Te blijven geven Om mezelf Om net genoeg Te kunnen geven Om iemand Die om mij geeft Zoals jij?

Tempus fugit

Wij laten hen zo Achter Met de beste wil Van de wereld Kunnen zij Ons niet bijhouden Gebonden Als ze zijn Aan één enkele plek Laten zij ons Zo achter Wij kunnen hen Niet bijhouden Wanneer zij Nog bloeien Zijn wij Al lang Voltooid Vervlogen tijd.

Schimmel

Nog voor het zaadje kiemt Zijn zij al uitgelopen In de bodem voorgekropen Op zoek naar waar het verdient Om tot ontspruiten te komen Niemand die hen ooit zal zien Men denkt: wortels, stam, kruin Zo zijn bomen, toch Zou er zonder hen Nooit iets van al wat bloeit Ter wereld komen Zij die met zachte hand Zelfs de hardste rotsen  Weten te vertederen Tot land Om tot leven te komen.