Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

QED

Uit de lijnen de tekening Uit de penseelstreken het schilderij Uit de lichtvlakken de foto Uit de vormen de vaas van klei Uit de muren het huis Uit de golven de zee Uit de wind de aai Uit de adem de zucht Uit het wel het wee Uit de woorden het verhaal Uit het proeven de kus Uit de leegte de lucht Uit het vlieden de vlucht Uit geroezemoes het gerucht Uit de weelde het weinige Uit het beginnen het eindige Uit het verbeelde het zijnde Uit het wazige het welomlijnde Uit elk van ons  Een ik en een jij  Die samen iets weg hebben Van wat bij toeval li jkt Op wij.

Land van tegenlicht

Tussen het glas en het zilver Aan de achterwand Huist een land Van tegenlicht Louter zichtbaar Voor wie voorbij Zichzelf kan kijken Naar wat verschilt Tussen aanschijn En gezicht. Hier geen diepgang Noch demonen Verwar het spiegelbeeld Niet met zelfinzicht Noem inkijk Niet tot inkeer komen Want niets Dat verhelderender is Dan de oppervlakkigheid Hier in dit land Van tegenlicht.

Wezenlijk wendbaar

We zijn van slag Om slinger scheef en schots Beduimeld van stof tot steen Muren van water En zeeën van rots Exoten van nu Vluchtelingen van later Vervallen, steeds weer En heen Alleenzaam tot op het bot Genoegzaam nooit Meteen terstondig Bedacht misschien En bemind enkel En ver van eenvoudig Eén We dansen als quarks  In het licht van de zon En wanen ons werkelijk Wendbaar Wezenlijk On en echt Geenéén.

Inconsequentie

Dat we van botten zeggen dat ze breken En van huid dat ze scheurt Heeft met de traagheid te maken Waarmee de overgang van het ene Naar het ene en het andere gebeurt. Zodoende gebeurt het zelden Dat stof of water breken, Een dijk of glas, of het verzet van een moedig mens scheurt. Waarom dan toch van hartverscheurend spreken, Als de een het hart van de ander breekt En haar geen blijk van liefde meer waardig keurt.

Anima aeterna

De onderkant van een stoeptegel De naad van een boek aan de binnenkant van de band, de binnenband In het wiel van de fiets waarmee je rijdt over de dijk naast het strand, het zand Onder de golfbreker, voorlopig nog De onbeschadigde wand aan de linkerkamer van je hart, een rand  Die per toeval in het midden van een vlak is aanbeland De potloodpunt, voor hoe lang nog verborgen, in het houten hulsje in je hand Het kant, dat edele verband, dat lang voordien Geklost, alles verwant,  En pas opnieuw verschijnt  Wanneer wat is ternauwernood vervliegt verdwijnt verdampt.

Bruisend water

Als het water me niet lekker zit Vroeg de vis zich af Waar moet ik dan heen? Want van water Hoor je niet te weten Dat het je omgeeft En wie om water geeft Zoals ik Die wordt al snel gemeden Want plots vatbaar voor verzinsels Als verdrinken en verdriet En tranen met tuiten toe maar Waar moet dat heen De lucht, het land Wel neen Daar is geen leven mogelijk Ondenkbaar Als vis van water weten Maakt het onmogelijk Te vergeten Dat er geen reden is Voor dit bestaan Als mens Kan ik dit weten Ook al ben ik al lang vergeten Waarom ik ooit vanuit het water Aan land ben gegaan. Het is precies alsof Je zou weten waarom Iemand ooit Water met gaatjes Heeft doen ontstaan.

Dura lux, sed lux

Ze is het op één na oudste Wie weet wel het oudste Wat er is, ze is Niet in leeftijd te vatten Want leven en sterven Zijn haar volkomen vreemd Ook al zijn ze aan haar ontsproten Verwant Toch is niets haar zo ontheemd Ze gaat waar wij nooit zullen komen Wij hebben daar simpelweg De tijd niet voor Haar tijd niet voor Zij is ons weten Én ons vergeten Zij geeft aan alles geweten Als in "het is geschied" Als het niet door haar Beschreven is Bestaat het ons niet Zij heeft een paar profeten Wiens ogen nooit anders hebben geweten En toch, toch is er ook buiten hun Aan de wereld onttrokken zicht Een glimp van haar  Dat hen doortrekt Hun verbeelding tot leven Hun leven tot leven wekt Er is sindsooit geen houden aan Noch hebben, ook al heeft men geprobeerd Hebben wetenschappers, kunstenaars Haar uitvoerig bestudeerd Hebben we in tal van vormen Een glimp van haar Gerecreëerd, zij is van geen omvang En voor geen vorm te vangen Zij vormt, wat men ook beweert Of eigenhandig boetseert Zij is...

Poppenspel

Wie Wie heeft hier de touwtjes in handen, wie Bespeelt hier wie En wie wordt bespeeld Laat zich bespelen De wil ontstelen Wie is hier nu wat Van wie, wie neemt het heft In eigen handen Wie deelt hier de lakens uit Wie is hier aan wiens handen En voeten gebonden Wie weet zich met zichzelf geen blijf Wie is geen baas over eigen lijf En leden wie lijdt, wie leidt Wie wacht, wie wikt, wie weegt En wie is na afloop Echt overleden Wie zal als straks het doek valt In de kist belanden Wie is de pop die in het plaatje past En wie de meester van zijn eigen lot Wie vertolkt en wie vertelt Wie verstomt stemt in met alles  Wat de ander zegt Wie bepaalt wat telt En niet telt, wie spelt Wie de les, wie zwijgt Wanneer de ander zwijgt Wie spreekt met eigen stem Wie breekt van tijd tot tijd Wie heeft wie getemd Wie heeft nooit of nimmer spijt Wie maakt geen onderscheid Tussen heden, verleden of toekomende tijd Wie is boven, wie beneden Wie houdt het in de hand Wie bedenkt en wie belichaamt Wie laat...