Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Infinitesimaal

Zoals die ene kleine eikel Hier in jouw hand Wel duizend bossen In zich draagt Zo wonen in het landschap Van ons lichaam Al meer dan duizend Dochters en zonen Met een veelvoud Aan ongemaakte plannen En onontwaakte dromen En minstens even veel Onvoltooid verleden Als heden Dat nog lang niet Aan voorbij gaan Is toegekomen Zo is alles Zoals die kleine eikel In jouw hand Voortdurend Onvolkomen Gaat met elk leven Dat begint Een hele wereld open.

De oude zanger

Hij is een oude zanger Zijn lot is bezegeld Zijn stem nadert de laatste noot Na iedere ademteug Is het bang afwachten Of er nog iets moois komen gaat. Men viert alvast zijn leven Maakt nog een laatste plaat Je weet hoe dat gaat In het gouden uur Voor de nacht haar intrede doet Klinkt alles anders Krijgt alles een ander gezicht Zo sprak hij laatst In een interview over zijn rijk Gevulde leven, zelfs de stilte Hing aan zijn lippen Het was ontroerend mooi Het leek wel alsof hiermee Zijn leven was voltooid Zoals met bloemen, slipjes Knuffels, complimenten en ander moois Dat men na een optreden Naar de zanger gooit Strooit men nu overal Te lande met herinneringen Aan wat hij wist te bekoren In het leven van gewone stervelingen Daags na het optreden in de televisiestudio Gaat de dag weer aan Gaan de gordijnen open Het zonlicht aan Een sjofele oude man Komt zuchtend, steunend en hoestend Uit zijn bed gekropen Scheldt zijn vriendin de huid vol Met woorden die voor zijn moeder Zijn bedoeld, die...

Paradijs

In deze bibliotheek Heerst orde En rust Is het overzicht finaal Compleet Dat was ooit wel eens anders Met planten, dieren, schimmels Zeeën en rivieren, bergen Woestijnen, goden, een heelal,  Een knal, quarks bij de vleet Alles Door elkaar En met elkaar En in elkaar verweven Zo onbeheersbaar  Zo ongrijpbaar Zo onleesbaar was het leven Zo onvindbaar einde en begin En dus schiep De mens orde in het leven Scheidde hij vakkundig Waan- en on- en zin Ontdeed wat werkelijk was Van verbeelding Kennis van dromen Toekomst van heden En herinnering En zie Wat ooit onbegonnen was Is nu alsnog voltooid In deze bibliotheek Heerst eindelijk rust En is het overzicht finaal Compleet Er staat nog één enkel boek Dat Des mensen is het mensdom heet.

Fenix

Het is niet om dat je mij de mond snoert Dat wat in mij spreekt, zal zwijgen Het is niet omdat je mij het zicht ontneemt Dat ik blind zal zijn voor wat ik zie Het is niet omdat je mij het luisteren belet Dat ik doof zal zijn voor wat gehoord wil worden Het is niet omdat je mij de voeten ketent Dat ik niet langer vrij zal zijn te bewegen Het is niet omdat je mij de handen bindt Dat ik niet langer kan omarmen Het is niet omdat je mij het leven beneemt Dat wat leeft met mij zal sterven.

Je vroeg

Je vroeg niets En ik dacht Help me Je zei niets En ik dacht Help me Je deed niets En ik dacht Help me Je at met me En ik dacht Help me Je nam me in je armen En ik dacht Help me Je kuste me En ik dacht Help me Je sliep met me En ik dacht Help me Je huilde En ik dacht Help me Je bleef En ik dacht Help me Maar ik hielp je niet Wat ik ook dacht Te doen Ik hielp je niet Ik ging weg En ik dacht Help me.

Straniero universale

Dit is een wereld Met alleen maar vreemdelingen Geen mens Weet hier waarheen Ook daar vandaan Blijft onbestemd Voor iedereen In niemands land Is terecht zijn altijd echt En echt terecht Voor iedereen Hier huist men Louter in herinnering En die vervaagt meteen Zo blijft hier niemand lang  In het verleden hangen En is hier niemand lang Iemand alleen.

Time will tell

Zoals een boom In de winter Een blad Of een meer Windstil De golfslag Een kip Het kuiken ei Zo na de leg Of een huis In aanbouw Het afscheid Het witte doek Onaangeroerd Het meesterwerk De rups Voor de pop De vlinder Zo kan ik Wat jij mij vraagt Nog steeds niet Onder woorden brengen.

Bericht aan de bevolking

Ze worden steeds minder zeldzaam De ons ontvallen ouders Heel af en toe Was er iemand Wiens vader of moeder al ging Nog voor zoon of dochter Hen had afgelost in 't ouderschap Wees worden in je kindertijd Was een uitzondering Maar nu de veertig nadert En wij zelf ten volle in 't ouderschap staan Daagt het besef Hoe weinigen het is gegeven Dat stukje leven te beleven Tussen ouder en ouderling En hoeveel verweesde kinderen Van dertig of veertig  Er vandaag bestaan.

In meridiem

Tussen dag en dauw De hemel twijfelend Tussen twee tinten Blauw ontwaken wij Halfwaak halfslaap In het grensgebied Tussen droom En werkelijk wakker Tussen verbeelding En daad Onmogelijk Om van hier Uit te maken Welke kant de tijd op gaat Vroeger ontstak men een kaars Men at wat Las wat Vree wat Met zichzelf Of met elkaar Men sliep met twee (Of zelfs drie of vier) Slaapjes wat was en wat kwam Aan elkaar En wat daar middenin Was noch einde Noch begin was Onbestemde tijd Die ons vandaag tot wanhoop drijft Wij weten met haar geen blijf Achten haar verloren Ons ontstolen slaap Putten ons lijf Uit met woelen en voorvoelen Van de vermoeidheid Die ons tijdens de dag Zo verzekeren wij ons Overvallen gaat Maar wie van ons Kent nog de maat Van waken en slapen Wie van ons Kent nog de maat Waarmee het leven gepaard gaat Wie van ons Kent nog het verhaal Van de god die de titanische tijd Tot slaaf heeft gemaakt Is het ijdelheid Die ons verleid heeft Tot een blind geloof In een volmaakt meesterschap V...

Eeuwwisseling

Vroeg de leraar Aan het kind Beschrijf mij eens Een eik Van honderd jaar. Dat, zei het kind, Lukt me nooit Want ik ben negen En hoe oud u bent Daar heb ik het raden naar Maar over honderd jaar Zit hier Een ander kind Tegenover een andere leraar Met precies hetzelfde antwoord Op precies dezelfde vraag Ik denk dat enkel Eiken kunnen Wat u vraagt En dan nog enkel die Van honderd jaar.

Met de beste bedoelingen

Ze waren wanhopig Op zoek Naar houvast Om hun onbehagen Aan op te hangen Zo vonden ze elkaar En bleven ze elkaar houden In evenwicht Wankel, maar in evenwicht Voorwaar. Toch werd het hem Op een dag Alsnog te zwaar En toen hij brak Schold ze hem uit Voor lafaard Voor zwakkeling En leugenaar Met een gebrek Aan ruggengraat En zelfkennis. Waarom kon hij Er niet gewoon altijd zijn Voor haar? En dus vertrok hij maar Nam zijn onbehagen Met zich mee Het duurde nog een paar jaar Voor hij besefte Dat hij nog steeds Onbehagen torste Voor twee. Dat was het hem niet waard En terstond liet het hare achter Klaar. En het zijne? Dat was hij ondertussen Wel ontgroeid Hij maakte er wat lappen van Om mee te poetsen En verder Zat hij er niet mee.

Arboretum

Ze zijn geworteld Vanuit hun tenen Verankerd in volle grond Van verdwalen moe Boom geworden En hebben een verbond Gesloten Met de vogels De wind en de regen Nu hun stem is verstomd Dat zij voor hen zullen spreken Weldra Zijn zij het woud  Waar wij in wonen Wij tussen hen Zij rondom ons Ons onderkomen Hun tijd zo traag Dat het ons de adem zou benemen Hun niets doen zo indrukwekkend Dat we er een leven lang Van moeten bekomen.