Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Fatum

De hand die op zijn schouder ligt En hem dicht tegen haar aan trekt Verstrakt zijn greep wanneer hij zich weer opricht En aanstalten maakt om ook maar iets te doen Wat lijkt op een vertrek Duwt zijn schouder naar de grond Houdt zo zijn hoofd gebogen Uit bescherming voor wat zij zegt Dat komt Zo wordt hem voor-gelogen Ze hem als een volleerde lorelei Het zich belet Op wat elders Dat hem oprecht zou kunnen bekoren Want nooit was de hand bedoeld Om hem op weg te helpen, noch Om hem bij te staan, louter Om zelf zijn weg te vinden Haar tot bekommernis vermomde greep Was een wanhopig aanklampen Van een drenkeling Aan een rots of voorbij drijvend vlot Die — zo liet haar hand verstaan — Haar redding zou brengen Daar had hij geen twijfelen aan Hij was haar lotsbestemming Zij zogenaamd Zijn medicijn Voor een kwaal wiens pijn Ze kost wat kost wilde ontvluchten Om niet met haar angst alleen te zijn. En dus kwam het moment Dat ook hij verzonk In haar oceaan van met weldoenerij gemaskeerde waan Denk...

Lieverling

Naast troost helpt poëzie Misschien wel het meest Wanneer verdriet zich niet langer laat verdringen En in buiten oorbereikbaare toonaarden De dingen uit hun dagelijksheid Telkens weer weet los te zingen Tot je dag na dag een ademtocht tekort komt Om zelfs het kleinste gebaar Dat op gewoon lijkt aan te vatten Het opkomende water In het afvoerputje terug te dringen En het licht te dwingen Om te wachten met het strelen Van je geliefkoosde katten Tot jij klaar bent om te spinnen Binnen Is stilaan zo buitenmaats Wat eens voorspoedig was Is nu tegendraads Alles bestaat tegenwoordig Uit tweelingen Met één van toen en één vandaag En daartussen jij Die zweeft Alsof je niet bestaat Geeneenling Jij weet met jezelf geen raad Net omdat jij niet uit twee Geen één van toen noch één van vandaag Geen antwoord los van de vraag bestaat Wie op twee plaatsen tegelijk moet zijn Komt steevast overal Te laat Tot poëzie Tot poëzie Opdaagt En zelfs de gekste dingen Weer samen brengt tot zinnen Die moed geven om...

Amor amorf

Ik ben een kever Maar dan omgekeerd Met mijn pantser diep vanbinnen En mijn zenuwstelsel Naar buiten gekeerd. Zo houden beiden De rest van mijn lichaam Gevangen terwijl alles me meer Dan me lief is Deert. Ik ben een mens Maar dan binnenstebuiten gekeerd Met een lijf dat mijn huid omarmt Die diep van binnen ligt gedrapeerd Over mijn los gezongen beenderen Zo houdt wat noodwendig uitwendig is Mij overeind, ogenschijnlijk beheerst, Maar meer krampachtig dan machtig Terwijl het leven Me ongenadig van buiten verteert. Ik ben een rots Maar dan vanbinnen verweerd Door koude adem, schurende hartstocht En een niet aflatende storm Van striemende indrukken Gegroefd, gegriefd, gegraveerd Poreus tot op het bot Niet wetend waarheen Met alle kracht Gebald, geprangd In een ongemakkelijk evenwicht Tussen exploderen en imploderen Gemanoeuvreerd. Ik ben een rivier Als een zee Om het land gemeerd Met aan de buitenkant Haar binnenland En aan de binnenkant Het zelfde land maar dan buitenlandig Ben ik geweer...

Geboortedorp

Het hele dorp is uitgelopen Ons bed is een grensgebied geworden Tussen generaties en voorbije verhalen Waarvan de hoofdrolspelers hier Nu samentroepen Het is een gekrakeel van jewelste Als boven de wieg van een boorling Die met grote ogen, bonzend hart En tuitende oren moet aanhoren Wat nog met geen zintuig te begrijpen valt Dan liever nog wat langer ongeboren In het vruchtwater zweven Enkel op het ritme van onze eigen hartslagen leven Elkaar ontdekken op de traagst mogelijke tast Door schemerlicht omgeven Ons de kans geven om ons samenzijn Als het onze en enkel het onze te beleven. Het hele dorp is uitgelopen Tot aan ons bed Dat nu leeg is Want wij zijn De nacht voordien Al weggeslopen Naar gisteren Toen niemand nog Van ons wist want wij Waren nog ongeboren, zij Staan daar nu Zo plompverloren Te kijken naar het onbeslapen bed Waar hen de ongemakkelijke stilte bekruipt Die hen zichzelfwaarts doet keren Tot zij weer naar huis gaan  Naar de dorpen  Waar wij gewoond en bewoond we...

Rite de passage

We zijn elkaar Nu eindelijk Uit de weg gegaan En zie aan Het blikveld verruimd Glooit en ontplooit zich Ontdooit en vermooit zich Als nooit tevoren Het gele koren dat opschiet Naast velden met stoppels Vers geschoren Ontvouwt zich het lot Dat ons beschoren is We zien het aan En horen achter ons Elkaar tegemoet gaan Wat ons toekomt Wat ons aanstaande is Voor we ver En verdergaan. We zijn elkaar Eindelijk voorbij gegaan Met de handen gestrekt Gepijnigd van het strelen en slaan Het wrijven en wringen Het voelen en woelen en binnenste buiten keren Het wacht eens ho maar kom maar Het lief en liever en leed Het minnen en mutileren Het wijzen wenken lief Hebben en weer af Weren Af en aan en op De tast Verblind door het licht Uit elkaars beschaduwde aangezicht getreden Reiken we de hand naar een ver verleden Dat nog eerst moet verlijden tot heden Tot op heden De lang vermeden Tegenwoordige tijd We zijn nu elk Ons eigen één Nu het gebaar van afkeer Naar omkeer gekeerd is Spiegels niet langer de...

Mijn hart is herstellende

Mijn hart is herstellende Het knokt zich een weg en weer Het beukt en beult en bonkt En gaat tekeer Mocht het kunnen het zou brullen Als een beer in een klem Ik wil hier weg Ik wil niet meer Maar minder pijn Ik wil gewoon een hart zijn Dat pompt het bloed en zuurstof Waar het gaan kan En wat niet meer dient De buitenlucht in jaagt En dat aan kan Wat het wordt gevraagd Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Ik voel hoe het zich een weg zoekt Naar een terug dat niet van gisteren is Ook niet van vandaag maar misschien wel Van morgen Een terug zoals in waar je thuis hoort En ik zie je graag Mijn hart is herstellende Mijn hart is herstellende Traag en gestaag als een antwoord Dat zo langzaam uitgesproken wordt Dat het met geen mensenleven te horen valt Niet te begrijpen in tegenstelling Tot de vraag Komt het nog goed? Ben ik hier op mijn plaats? Doe ik wat ik kan? Of Is wat ik kan ook wat ik moet? Doe ik ertoe? Wat is het dat ertoe doet? Mijn hart is herstellende. Mijn hart is ...

Kuiltje

En net Net toen je ophield met zoeken Toen vond je 't Daar Een plekje Net groot genoeg Voor je hoofd, je tranen, Een kind dat gewoon Na jaren van volwassen Weer eens thuis wou komen Een gebaar  Van kom nu maar En waar je met heel je hart Nog eens Jezelf zou kunnen zijn Zowaar En jij die daar Als een hazelmuis Voor 't eerst sinds lang Jezelf omarmt Omwarmd de ogen sluit En met diepe zuchten Op adem komt Te veel lentes, zomers Zonder herfst en Winterrust Jaar in Jaar uit Jij Bent nu hier Welkom, in het kuiltje Dat al een leven lang Voor je klaar ligt Daar Geborgen Tussen mijn schouder  Hoofd, hals, borst en hart en wang Streel ik je  Dek ik je langzaam toe met één hand Terwijl mijn hart je wiegt Mijn blik het zonlicht in je haar schikt En ik de mooiste stofjes Zachtjes bij elkaar vang Wees niet bang Ik blijf Bij jou Nu, voor even, Blijf ik bij jou En als het mag Dan blijf ik bij jou Het liefst nog Mijn hele leven Mijn hele leven lang. https://www.privaatbeheer.be/infoloket/...

Onbepaald tegenwoordige tijd

Wat nog zal, zal wellicht, Of even goed Nog niet, misschien wel Nooit, terwijl ooit ergens Ligt te verstoffen en wij blijven sloffen Van daags, naar daaglijks, alsof 't Nooit daagt, laat staan verdaagt Dat we iets ondraaglijks doen En zodoende doende Doen wij verder voort Pendelen bestemmingsloos Zoals het hoort Vertrekkensklaar en aankomstgretig Doorheen dit stilaan thuisloze oord Dat ooit iets had van hier en daar Van ergens, nergens, ooit en nooit voorwaar Van nu en straks, toen, dan, meteen Van heen en weer, en weer terug, Van wat niet is en nog kan komen Van gaat nu allen heen In vrede, of in auto's, met de fiets, de step Het openbaar vervoer Tesamen of alleen God mag het weten waar Gaat het met ons heen We draaien rondjes Om onze as Tot spijt van wie 't benijd Leven we In een onbepaald allom tegenwoordige tijd

Thuis

Als het stormt buiten, wil ik met jou achter het venster staan kijken.   Als het regent wil ik naast je liggen luisteren naar het geroffel van de druppels op het dakvenster.   Als het sneeuwt wil ik mijn handen in jouw jaszakken warmen of die van jou in de mijne.   Als de zon brandt in de zomer wil ik naast je liggen in het gras wanneer we onze blikken laten meevoeren door de zwaluwen die als volleerde acrobaten door de lucht dartelen.   Het is heerlijk thuiskomen bij je, al weet ik dat er nog een fijner thuiskomen wacht wanneer ik niet meer bang hoef te zijn om te verdwalen van mezelf.

Entre mi-temps

En als je daar dan bent Je niets of niemand nog herkent Je niet meer weet Wat onder boven Links of rechts van jou bestaat Als het niets meer uitmaakt Of je nu blijft hangen Je je laat drijven, Of zinkt of verder zwemt Er geen sprake meer is Van ergens of waarheen Van aankomen of verdwalen Van straks, vroeger, nu en later of meteen Dan, net dan wanneer noch moeten noch mogen nog van tel zijn Dan daar, ja, net daar waar verdwalen en terecht zijn  — perfect inwisselbaar Het er niet meer toe doet Wat van betekenis is En wat niet Net dan en daar Gebeurt het Noch wel Noch niet

Door het spiegelglas

En achter haar, over haar schouders Kijken ze mee, de ouders Die ze wilde Maar nooit zo heeft gehad Ik zie ze staan hun handen Reiken naar haar schouders Vingers graaien maaien lucht Geen huid, geen hart, geen zucht Die houvast Houd me vast Geeft Die de tijd terug geeft Om van te houden Zo staan ze daar, Zij en hen, zij Aan zij Met mij erbij Tegen wie je zegt Wat niet voor mij Maar wel voor hen Het duurde even Voor ik wist Dat in jouw spiegel Voor mij Geen plaats was Ga weg blijf bij mij Zorg voor mij laat mij Zie mij hoor mij voel mij Niet jij waarom jij Wie ben jij bij mij Word volwassen Knap op me af Blijf hier ga weg Bij mij En niemand die daar blij Van werd ik ziek jij ziek wij Ziek zij Aan zij Tot ik hen zag en verder keek Dan jij Ik eindelijk van wijken en ontwijken wist Je woorden, je woede, je verdriet, je wanhoop Door me heen liet gaan, want Niet voor mij Nu kijk ik in mijn eigen spiegel Alleen Naar mezelf en wat er overblijft Van mijn ouders Uit een leven zo voorbij En hoop ...