De hand die op zijn schouder ligt En hem dicht tegen haar aan trekt Verstrakt zijn greep wanneer hij zich weer opricht En aanstalten maakt om ook maar iets te doen Wat lijkt op een vertrek Duwt zijn schouder naar de grond Houdt zo zijn hoofd gebogen Uit bescherming voor wat zij zegt Dat komt Zo wordt hem voor-gelogen Ze hem als een volleerde lorelei Het zich belet Op wat elders Dat hem oprecht zou kunnen bekoren Want nooit was de hand bedoeld Om hem op weg te helpen, noch Om hem bij te staan, louter Om zelf zijn weg te vinden Haar tot bekommernis vermomde greep Was een wanhopig aanklampen Van een drenkeling Aan een rots of voorbij drijvend vlot Die — zo liet haar hand verstaan — Haar redding zou brengen Daar had hij geen twijfelen aan Hij was haar lotsbestemming Zij zogenaamd Zijn medicijn Voor een kwaal wiens pijn Ze kost wat kost wilde ontvluchten Om niet met haar angst alleen te zijn. En dus kwam het moment Dat ook hij verzonk In haar oceaan van met weldoenerij gemaskeerde waan Denk...
Hannes Couvreur