weet u dat u mij betaalt om weg te gaan maar dan zo langzaam en ongemerkt dat u de indruk heeft dat u diegene bent die hier een einde aan heeft gemaakt opdat u opgehouden werd met verder gaan?
En wat als ik het nu eens aan jou vroeg, hoe het verder moest, jou de touwtjes in handen gaf waar ik me geen blijf mee wist? Zou het dan ophouden met stoppen waar het door moet gaan en doorgaan met stoppen waar het moet? Of zouden we geen van beiden en dan meer van dat? Of is verwarring gewoon meer van het zelfde dat ik al had?
wie zou hen moeten tellen en na weloverwogen gevoel voor perspectief een oordeel vellen over wat gemist en aangegeven dient te worden? waar vertrekt dit van en waar leidt dit toe als het niet eenvoud is? zou jij ook zo graag zeggen: het is een beeld een schilderij en verder niets? en kijk jij ook de wereld aan alsof er iets naar je toe komt? (terwijl ik dit schrijf in het museum komt een vrouw naar me toe en vraagt voorzichtig: "u bent niet toevallig de kunstenaar?")
en wat als wij slechts stenen zijn waaruit door wind gehouwen een ander te voorschijn dient te komen? hoe zou het zijn, daar in de diepte met haar veel te hoge afgronden en haar onstuitbare betonnen wortelgroei, als wanhopige vingers ten gronde geheven op zoek naar hou vast? wat als zij een ter aarde gestorte spitfire is die doorgaat tot ze haar doel bereikt heeft? kun je in godsnaam ook een land bevluchten?
wie houdt de ladder vast als de tijd plots beslist dat het moment gekomen is om verder te gaan? en is er een moment dat we ten hemel zullen vallen wanneer de aarde ondraaglijk licht wordt om te bestaan? waar houden de wolken op en begint de zee, is de lucht te diep en het water te hoog om op te houden en on voorwaardelijk te zijn?
er staat een naam op het raam. met daaronder een gezichtje. ik weet niet of je nu naar binnen of naar buiten kijkt en wat je daar dan ziet. je hebt het stiekem gedaan, zoals het hoort met kattenkwaad. want het hoorde niet zo hadden we de kinderen verteld ademen en dan gezichtjes op het raam dat maakt plekken en dan moet mama weer aan het poetsen gaan. nu je er niet meer bent weet ik niet of ik ooit nog met zeemvel en sop aan dit raam zal staan. ik laat mijn vinger langs je naam gaan en kijk je nog een keer aan. mijn besluit staat vast: ik laat je nooit meer gaan.
aan de rand van de stad staat een auto voor het rode licht te wachten om af te slaan in afwachting van het vervolg van hun verhaal snuit hij zijn neus in een zakdoek waarmee zij straks haar tranen zal drogen
wie ooit beboet is geweest zal in het geval dat boetes worden afgeschaft zich nog meer misdragen. en dan vraagt een mens zich af waarom godsdienstvrijheid tot ontsporing leidt.